| tijd door het jaar Allerzielen |
A B C | |||
| inleiding | ||||
| openingsgebed | ||||
| eerste lezing | ||||
Jesaja 25
|
Wijsheid 3 1-6 (9)
|
Wijsheid 4 7-15 | ||
| tussenzang | ||||
| tweede lezing | ||||
| Apokalyps 21 1-5a. 6b-7 |
Romeinen 8 31b-35. 37-39 |
1 Tessalonicenzen 4, 13-18 | ||
| evangelie
| ||||
| Marcus 15 33-39; 16, 1-6 of 15, 33-39 |
Lucas 24 13 - (16. 28 -) 35 |
Johannes 11 17 (21) - 27 | ||
| homilie overweging |
| |||
| voorbeden | ||||
| gebed over de gaven | ||||
| prefatie | ||||
| slotgebed | ||||
overweging |
|
1999 |
De enige zekerheid die wij mensen hebben is, broeders en zusters, dat wij nu leven en dat wij eens zullen sterven. Het christelijk geloof vereert niet de overledenen, maar eert hen. Dat is de christelijke betekenis van Allerzielen, het vieren van de eucharistie en het blijven noemen van de namen, de namen in onze harten, op bidprentjes, op kruisjes. Ik kom toch nog even terug bij de verering van voorouders en dodencultus die vanouds in onze streken aanwezig was. |
overweging |
|
|
Nadenken over doodgaan en sterven. Het is misschien een uitnodiging die heel vreemd overkomt. |
overweging |
|
1998 |
Welkom, u allen, in deze viering. Buiten is het herfst. De bomen worden kaal, de dagen worden kort en nat. In deze tijd van het jaar denken we makkelijk aan de dood: de dood van geliefde medemensen en ook de dood van onszelf. Meestal duwen we die gedachten weer snel weg, want we denken niet graag aan de dood. Maar vandaag laten we ze bij ons toe, want vandaag willen we ons verbonden voelen met onze overledenen, vooral met hen die het voorbije jaar van ons zijn heengegaan. We noemen vanavond hun namen, want we willen dat zij bij ons gekend blijven. En we spreken hun namen uit voor God, omdat we hopen en vertrouwen dat zij door Hem gekend blijven, dat Hij al onze namen voor eeuwig geschreven heeft in de palm van zijn hand. Alle dood vernietigt Hij, zo vertellen de lezingen uit de Schrift ons, en van alle gezichten veegt Hij de tranen. Zo bidden we vanavond om zijn ontferming over ons en over onze overledenen. Gebed Goede God, Gedachtenis van de overledenen Woord van Jezus: Ik ben de opstanding en het leven. De doden Bidden wij voor onze overledenen, Slotgebed Goede God, Zegen en wegzending Met herinneringen aan onze overledenen kwamen wij vandaag hier. |
overweging |
|
2002 |
|
| homilie overweging |
|
| Het is een hachelijke onderneming om op deze dag de
gedachten te leiden naar de heiligen, die het christendom heeft
voortgebracht. Eerbetoon aan de mensen die ons voor gingen, dat wel, maar
bij heiligen denken jonge mensen al gauw aan duffe figuren uit een grijs
verleden en ouderen zullen misschien met een zeker heimwee denken aan grote
persoonlijkheden, die er vroeger waren, maar die er niet meer zijn. Zeker, er zijn niet zoveel heiligen als er christenen zijn. Allerzielen die zijn er meer. Maar ze zijn er nog: mensen uit het verleden en het heden, waardoor anderen geïnspireerd worden. Zijn die heiligen dan zo veel anders dan die zielen? De vraag: wat heiligen eigenlijk zijn doet me denken aan een verhaal uit het sprookje van “de kleine prins”. Hij gaat op zoek naar een planeet waarop het goed is om er te leven. Op de eerste planeet vindt hij alleen een koning. Die is verheugd dat de kleine prins er komt, want hij denkt: ”Nu heb ik tenminste een onderdaan aan wie ik bevelen kan geven”. Maar de kleine prins gaat verder. Op de volgende planeet vindt hij een zakenman. De zakenman heeft het echter te druk en is alleen blij dat hij even kan zeggen dat hij het druk heeft. Op een andere planeet is er alleen een dronkenman. Daar heeft hij ook niet aan, want die bedrinkt zich voortdurend om te vergeten dat hij een dronkenman is. Na nog wat omzwervingen komt de kleine prins tenslotte op een planeet, waar hij een man vindt, die bezig is een grote lantaarn aan te steken en als hij uitgaat om hem onmiddellijk weer aan te maken. “Waarom doe je dat?” vraagt de kleine prins. “Ik doe dat” zegt de man, opdat het op de aarde telkens donker en weer licht wordt, het is wel vermoeiend om het zo vlug te doen, maar we worden tegenwoordig allemaal opgejaagd. “Maar waarom blijf je het doen?” vraagt de kleine prins. “Ik heb een opdracht en daarom doe ik het en ik ben er gelukkig mee”. Dan denkt de kleine prins: ”Hier blijf ik, want hij is de enige die niet aan zichzelf denkt, maar alleen aan de anderen en hij is de enige die gelukkig is”. Gelukkig dat er meer van zulke mensen zijn: Het zijn de mensen, in wie Gods goedheid een kans krijgt, zij zorgen ervoor dat Gods licht kan schijnen en dat zijn liefde warmte kan geven. De zaligsprekingen uit het evangelie gaan juist over mensen, die niet vol zijn van zichzelf, niet vol zucht naar rijkdom of macht. Christus prijst de mensen, die onvoldaan verlangen naar andere zaken. Het zijn de mensen, die hun eigen leegte voelen en die zoeken naar iets hogers, wat er nog niet is maar wat er komen kan. Ook de wereld van vandaag heeft haar heiligen: in de mensen die zonder ophef werken aan elkaars geluk, in de gewone vaders en moeders, die hun plicht doen wat het ook kost. In de jonge mensen die niet ontgoocheld aan het lijntje gaan staan om te zien wat er van komt. De wereld heeft haar heiligen in de vechters voor vrijheid en recht, mensen voor wie niets te veel is, zelfs al moeten ze hun ideaal betalen met hun leven. We laten even in het midden of ze bij Allerheiligen of Allerzielen horen. Ze zijn niet bekend, de heiligen van vandaag. Ze weten ook zelf niet of behalve ziel ook heilig zijn. Maar Gods werk gaat door. Zij ontsteken telkens weer de lantaarn, zodat Gods licht blijft schijnen. We vieren de feesten van Allerheiligen en Allerzielen, van al die bekenden en onbekenden, door wie God vaste voet op deze aarde heeft gekregen. En tot hen kunnen ook wij behoren, als we veel kunnen geven en ons willen inzetten voor de ander, voor rechtvaardigheid en recht. God is liefde. Waar wij liefde brengen, daar is God zelf met ons als degenen die het licht bedienen. |
|
|
2006 |
Soms vraag ik me af hoe het zal zijn in dat nieuwe leven, waar over we het
in onze kerk altijd spreken bij een uitvaart en ook bij de uitvaarten van
het afgelopen jaar waar vele van U zo nauw bij betrokken waren. We spreken dan goede herinneringen uit, om al die mensen die ons zo dierbaar zijn, vast te houden. We maken gedachtenisprentjes, omdat we hun geschiedenis zo veel langer bij ons willen houden en we zeggen en spreken uit dat er nieuw licht voor hen zal schijnen, dat ze geborgen mogen zijn bij de God van alle leven en dat Jezus die weg door zijn leven en dood geopend heeft voor ons allemaal. Maar hoe zou het daar zijn? Als je kinderen laat tekenen waar de hemel is en hoe die eruit ziet, krijg je de prachtigste schilderijen met de mooiste kleuren, met de zon erbij, zo mooi als ze maar kunnen bedenken. Van de week las ik een artikeltje, waarin kardinaal Simonis zijn gevoel daarover uitsprak. Hij dacht aan de lente en een frisse tuin van groen en bloemen. Oude psalmen vertellen dat God ons leidt naar koele beken en grazige weiden. En zo zijn er nog veel meer beelden. Allemaal menselijke beelden, menselijke woorden om iets, wat niet in woorden te vangen is, tot uitdrukking te brengen omdat onze menselijke woorden veel te beperkt en veel te klein zijn. Eén gevoel en één geloof en één vertrouwen delen velen van ons in elk geval wel: het is niet zomaar voorbij. Dat kan niet, zeggen we, geloven we, weten we, omdat alles wat geweest is, te mooi is om zomaar los te laten, of omdat het leven nog lang niet af was of veel te snel voorbij, of omdat het zo triest en verdrietig eindigde. We weten voelen, geloven, hopen en vertrouwen dat het goed moet aflopen: Echt Goed! In de Bijbel staan talloze tekenen beschreven die dat nieuwe leven aankondigen: het verhaal van het lege graf. De steen is weggerold. Jezus ligt niet meer in het graf; De aankondiging van Jezus, dat in het het huis van Zijn vader ruimte is voor velen, openstaat voor iedereen; en ook dat alle mensennamen staan geschreven in de palm van Gods hand en nog veel en veel meer. Allemaal woorden om te overtuigen dat dat diepe gevoel, dat intense geloof van mensen, dat het leven met de dood niet zomaar voorbij is, waarachtig is en echt. Maar hoe zal het daar zijn? Daar kun je van dromen. Ieder op onze eigen manier: gras zachter dan zacht, met kleuren en geuren die we niet kennen of met verbondenheid met allen die ons voorgingen. Nu zijn ze weer samen. Of als beschermengelen, groot of klein, die op een of andere manier bij ons zijn en blijven. Hoe het er is? We dromen ervan en soms zien we een glimp. Onze zang hier in de kerk, onze stilte en ons gebed. Onze woorden in de kerk. Ze zijn er allemaal getuigen van. Ze zijn ook allemaal het verlangen ernaar. Uiteindelijk blijft het een mysterie, een mysterie, waarin we oprecht mogen geloven. Jezus wijst de weg erheen. Sterker nog: Hij is de weg , de waarheid en het leven zelf. Een mysterie dat ons allemaal blijvend tot troost mag zijn en tevens ook de uitdaging in ons leven. Amen |
| Met gemengde gevoelens komen heel veel
mensen vandaag bij elkaar. Allerzielen wordt deze dag genoemd om aan te
geven dat we terug denken aan mensen die lichamelijk niet meer in ons midden
zijn, maar waar we nog altijd zielsveel van houden. Dan komt in ons
dankbaarheid en waardering, liefde weer naar boven, maar ook van verdriet.
Die lege plek die door hun heengaan is ontstaan, het gemis van hun nabijheid
blijft pijn doen, een pijn die zelden helemaal wegtrekt. We weten heel goed wat de oorzaak van dat verdriet is. Dat komt omdat we van hen gehouden hebben en dat is nog zo. Liefde is de oorzaak. Liefde draagt altijd het vooruitzicht van verdriet in zich. Wie het risico neemt om zich aan iemand te binden, loopt ook het risico van verdriet om het afscheid. Dat weerhoudt menigeen om na zo’n afscheid weer zo’n nieuw risico aan te gaan. Wie geen intense nieuwe relatie durft aan gaan, loopt dat risico mis, soms ook het onbegrip van naaste omgeving, maar loopt ook de vreugde mis die liefde geeft, geluk. Allerzielen is de dag van elkaars verdriet. Verdriet kan als een zware steen op je hart liggen.”Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen”, vragen de vrouwen in het evangelie aan elkaar als ze vroeg in de morgen naar Jezus’ graf gaan. Een enkeling zal dat in z’n eentje kunnen, maar samen met anderen lukt dat beter, allen al door het samenzijn voor diezelfde steen. Met woorden kunnen we elkaar helpen, woorden die tranen doen stromen, maar ook wegwassen. In gesprek met elkaar kan een nieuw perspectief zich openen, een weg om verder te gaan na het verlies van een partner, een kind, een ouder, een vriend of vriendin. Het vraagt moed om verder te gaan en dan is bemoediging onmisbaar. “God houdt van mensen” horen we hier vaak gezegd. Hoe kan Hij dan het verdriet laten bestaan. Alsof een leven zonder verdriet mogelijk is. Verdriet is de andere kant van de medaille die liefde heet. Wie geen verdriet wil, moet ook de liefde niet willen. Liefde en verdriet horen onlosmakelijk bij elkaar. Daarom zegt de profeet Jesaja in zijn visioen over de toekomst van God niet dat God alle verdriet zal wegnemen, maar wel dat Hij de tranen zal afwissen, de tranen die onvermijdelijk zijn. Deze avondviering is bedoeld voor de gestorvenen, maar misschien nog meer voor ons, de achterblijvers, achtergelatenen, de overlevenden, de rouwenden, de verdrietigen. Wij zijn, zoals die vrouwen in het evangelie, op zoek naar de gestorvenen. Die zijn niet meer hier; ze zijn waar wij niet kunnen komen. In deze kerkgemeenschap leven wij in de overtuiging dat zij bij God zijn, in zijn licht, al gaat dit ons voorstellingsvermogen te boven. De profeet Jesaja doet ons vooruit zien naar een toekomst zonder dood als scheiding van elkaar, naar een toekomst waarin wij opnieuw met elkaar verbonden zijn. Dan is de steen van ons hart weggerold om doorgang te geven naar licht en leven, waarheen Jezus ons voor ging. Verdriet verbindt ons hier vanavond, maar ook liefde die er de oorzaak van is en misschien ook de openheid voor dat visioen van licht en leven. |
| homilie overweging |
|
| "Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op." Jezus op
de berg. Zijn rede, zijn bergrede, is van zo'n hoog niveau, dat zijn woorden
doorklinken tot in het dal, tot in het dal van tranen waarin wij leven. Door
op de berg plaats te nemen, ziet Jezus de hemel op aarde verschijnen, daar
waar de aarde zijn grenzen heeft, waar mensen aan de grens van hun eigen
kracht, van hun rijkdom, zijn geraakt. Dan ziet Hij de gemeenschap der
heiligen hier op aarde, de arme heiligen die voor het grootste deel
onttrokken zijn aan het oog van de mensen, want de hemel op aarde onttrekt
zich grotendeels evenzeer aan de ogen der mensen als de hemel van de
heiligen die bij God leven. Je moet dus ogen van God hebben om ze te zien;
je moet het licht van God hebben. En dat is precies wat Jezus doet in de
bergrede: openbaren wat Hij als God met het licht van God ziet. "Zalig de
armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der Hemelen." Dat is
profetisch spreken. Niet in de zin van een voorzegging, een voorzeggend
spreken, maar in de zin van: Hij zegt het ons voor, Hij zegt het ons aan,
Hij openbaart het. Hij openbaart het geheim van God. Eigenlijk kan niemand
begrijpen wat Jezus hier zegt, niemand kan het zien, want daarvoor moet je
zelf een arme van geest zijn. Wat Hij daarmee bedoelt, kunnen alleen armen
van geest bevroeden. Maar er is een situatie in Jezus' leven waarin ook een rijke, een rijke van geest, het heeft begrepen. Jezus zegt tot de rijke man die aan Hem vroeg hoe hij het eeuwig leven kon verwerven: Wil je het eeuwig leven bezitten? Daarvoor moet je nu "de geboden onderhouden" om later het leven te bezitten. Maar wil je het eeuwig leven nú al bezitten, het echte leven, het volle leven, het leven van God, en heb je de geboden onderhouden, "verkoop dan alles wat je bezit, geef het geld aan de armen; daarmee zult je een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen." We weten hoe de man daarop reageerde. "Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat" (Mc 10,17-22; Mt 19,16-22; Lc 18,18-23). Hij gaf er geen gehoor aan, maar hij heeft het wél begrepen. Het is precies dezelfde reactie die elke gelovige heeft wanneer hij zulke woorden uit het evangelie hoort. En daar zijn er nogal wat van, bijvoorbeeld: als je Mij wilt volgen, neem dan je kruis op en verloochen jezelf; geef alles weg, doe afstand van alles; wie zijn leven wil winnen, zal het verliezen; wie zijn leven om Mijnentwil verliest, zal het vinden, die zal het ten eeuwigen leven bewaren; als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, dan brengt hij geen vruchten voort, maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort. Die woorden zetten ons op het verkeerde been. Je kunt er moedeloos van worden, ontsteld, ontdaan, zoals de rijke man. Maar ook Jezus kon ontsteld raken, want niet lang na zijn woorden over de graankorrel die moet sterven om vrucht voort te brengen, zegt Hij: "Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur?" (Joh 12,27). Toch zullen we eens allemaal armen van geest zijn. Het leven loopt daar op uit en het is goed om, als je ergens moeite mee hebt, dat los te laten, af te geven, te dragen of te dulden, om je het einde voor ogen te brengen. Als het leven op het einde loopt, wórd je armer; armer aan gezondheid, armer aan sociaal contact, aan gezichtsvermogen, aan gehoor, aan geheugen. Dat wordt allemaal minder. Je moet meer inleveren en steeds zuiniger met je resterende krachten omgaan. Zo is stervenstijd een tijd van loslaten, van soepel loslaten. Dat betekent: meegaan met de beweging van het loslaten, ermee meegeven, meedoen, zoals Jezus in het sacrament. Dit is mijn Lichaam, hier heb je me helemaal. Dan komt het moment dat je inderdaad alles moet loslaten, het laatste wat je hebt: je leven, je ik. Niets kun je meenemen van wat je eens bezat, waarvoor je gewerkt hebt. Niets kun je meenemen van wat voor jou je rijkdom was. Alles en iedereen moet je achterlaten. Dan ben je door en door arm, tenminste arm aan de buitenkant. Maar het kan best zijn dat je dat proces ondergaat zonder dat ook echt innerlijk te willen, zonder dat ook met de geest te willen. Dat je uiterlijk wel arm bent, maar niet arm van geest, arm van hart. Je moet van binnenuit graag arm willen worden. Om zo arm te worden, hebben we het vagevuur nodig. Het vagevuur na je dood, of soms al het vagevuur hier op aarde. Het vagevuur dient ervoor om de totale armoede ook een armoede van geest te laten worden. Het dient ervoor om je er helemaal van te doordringen dat je je leven niet in bezit hebt, maar dat het je geschonken is, dat je het van God ontvangen hebt en het ook weer aan God mag teruggeven. Arm van geest zijn is: het loslaten van je rijkste bezit en van je geringste bezit en je zó toevertrouwen aan God. Dat is de hemel op aarde. Daarin is Jezus ons voorgegaan. Hij had dat vagevuur op aarde niet voor Zichzelf, om zíjn eigen zonden uit te boeten, maar voor de zonden van ons allen. Zo treffen wij Hem dus aan in onze vagevuururen. Jezus heeft ervoor gezorgd dat zijn duldend, dragend lijden altijd onder ons is in de heilige eucharistie, en ook de liefde waarmee Hij het gedragen heeft, zodat het je ook vergezelt als je zelf zo'n vagevuuruurtje moet doormaken. |
| homilie overweging |
|
| In het buitenland is ons land onder meer berucht om zijn
moordend verkeer. Elk jaar sterven er op onze wegen inderdaad honderden
mensen. Onder hen veel jongeren. En als ge met die jongeren tot een gesprek
daarover probeert te komen, loopt ge de kans dat ge als antwoord krijgt:
'Hou op met je gezeur. Dood is dood.' Niet alleen sommige jongeren denken er
zo over; ge hoort het ook door anderen zeggen, als iets dat honderd procent
vast staat: dood is dood. Zusters en broeder, ieder van ons heeft al met de dood te maken gehad: onze ouders, familieleden, vrienden, bekenden. En iedereen kent de pijn om de dood. De lege stoel, de lege plaats aan tafel, het lege huis waarin ge maandenlang verloren loopt. Want dood is dood. Het is de enige zekerheid die we hebben: dat we dood gaan. En ook: dat elke minuut die voorbij tikt ons een minuut dichter bij die dood brengt. Wat de wetenschap ook onderneemt, de dood kent geen genade. We kunnen proberen hem weg te moffelen, hem te negeren, hem te vergeten. We kunnen doen of we hier eeuwig zullen blijven, we kunnen ons te pletter werken om huizen te bouwen en torens en paleizen: niets helpt. De dood kent geen genade. En doodgaan is hard, pijnlijk, dikwijls ook vernederend. Zoals voor Jezus. Hij stierf de meest vernederende dood die toen denkbaar was: de dood aan het kruis, onmenselijk pijnlijk, en voorbehouden aan zware misdadigers en opstandige slaven. De evangelist windt er dus geen doekjes om: Jezus slaakt een rauwe kreet en is dood. Even voordien had Hij nog wanhopig uitgeschreeuwd: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?' Want ook hier is Hij de weg van alle leven gegaan: Hij sterft in uiterste verlatenheid. Zoals ook wij in uiterste verlatenheid zullen sterven. De zorgen mogen nog zo goed zijn, de begeleiding nog zo gewetensvol, de familie rond ons ziekbed nog zo liefdevol: we staan er alleen voor. Niemand kan ons in dit meest beslissende moment van ons leven helpen. En dood is dood. Enfin, dat zeggen velen toch, maar ik geloof er niets van. Als dood toch dood is, wat deden we gisteren dan met z'n allen op het kerkhof? Wat staan al die bloemen daar dan te doen? Wat gaan we daar dan vandaag opnieuw doen? Een beetje tegen de stenen babbelen? Zusters en broeders, niemand van ons gelooft ook maar één ogenblik dat dood dood is. Want waar we ook kijken, overal zien we leven, ook in de dood. Het is volop herfst, in de natuur sterft alles af, en tegelijk groeit er nieuw leven. Kijk naar de bomen: de blaren zijn nog niet afgevallen, en de knoppen van de volgende zomer komen al te voorschijn. De velden zijn nog niet kaal, en er groeit al nieuw leven. En wij dan? Zijn wij anders? Natuurlijk niet. Waarom zou alle leven herleven, behalve dat van de mens? Dat zou een heel zware constructiefout zijn, zei onze kardinaal ooit, en gelijk heeft hij. Natuurlijk is dood niet dood, daar is ieder van ons zeker van. Dat ziet ge aan de bloemen op de graven, aan de intenties voor onze overledenen, aan onze bezoeken aan het kerkhof, aan onze gesprekken met elkaar. 'Weet ge nog wat moeder altijd zei? Hoe deed vader dat ook weer? Weet ge nog van die keer dat nonkel Jan hier was? Herinnert ge u nog ...' Zusters en broeders, onze doden leven verder, generaties lang. Ze leven verder in wat we zijn, in wat we doen, in wat we willen, ze leven verder in onze gesprekken met hen, over hen, ze leven verder in hun graf, op het kerkhof. Ze gaan de weg van alle leven, namelijk dat leven leven is, en dat niets bij machte is dat leven te vernietigen. En ook hier vinden we houvast in het evangelie. Jezus' vijanden mogen Hem de meest vernederende en de vreselijkste dood laten sterven, God laat zijn rechtvaardige niet in de steek. Niet de dood, wel het leven heeft het laatste woord. Dat is de boodschap die de vrouwen vernemen in het graf. "Jezus van Nazaret, die gekruisigd werd, is door God tot leven gewekt, Hij is niet hier. Hij lééft," zegt Gods engel. Zusters en broeders, dat is de boodschap van hoop op deze dag, waarop we onze doden herdenken, en ook met onze eigen dood geconfronteerd worden: dat niet de dood, wel het leven zegeviert. Jezus is de weg van alle leven gegaan: geboren worden, opgroeien, volwassen worden, sterven. Maar Hij heeft aangetoond dat die weg verder gaat, dat de weg van het leven léven is, en dat sterven maar heel even is, heel even door een donkere tunnel, met God die ons opwacht aan de andere kant. En onze God is geen God van doden, maar van levenden. Onze God 'bereidt voor ieder van ons op zijn berg een gastmaal aan. Hij zal voor immer de dood vernietigen', zegt Jesaja in de eerste lezing. Laat dit ons aanvoelen zijn voor vandaag: verdriet om het verlies van wie ons lief was en is, maar ook vreugde omdat we weten dat ze niet dood zijn, maar léven, in God. Zoals ook wij ooit in Hem zullen leven. Amen. |
|
|
|
Allerheiligen en Allerzielen zijn twee namen voor één en dezelfde gedachte: de herdenking van onze doden. Op Allerheiligen vieren we dat ze bij God leven, in zijn eeuwigheid, in zijn liefde, en we zijn gelukkig om en met hen. Op Allerzielen gedenken we hen in hun menszijn, en we treuren om hen, we zijn verdrietig om het gemis, om de wonde die hun dood in ons heeft geslagen, een wonde waarvan we nooit genezen. ‘De tijd heelt alle wonden’, zegt het spreekwoord, maar we weten dat het niet waar is. De wonde van het gemis groeit nooit toe. Want dood is dood, en niemand van onze overledenen is ooit teruggekeerd om ons te troosten. Toch leggen wij, christenen, ons niet neer bij die schijnbare overmacht van de dood. Voor ons vormen Allerheiligen en Allerzielen een eenheid, een dag met twee namen, maar één enkel gevoel. Zowel op Allerheiligen als op Allerzielen gaan we naar het graf, zeggen we een gebed, spreken we met onze overledenen over de dood heen, want voor ons leven ze. Ze zijn afwezig maar toch aanwezig. Want wij geloven in het visioen van het leven voorbij de grens van de dood. Wij geloven wat we in een van onze uitvaartliederen zingen: ‘Sterven is maar even.’ Aan de andere kant van het sterven wacht God ons op voor eeuwig leven in Hem. Voor ons, christenen, leven onze doden niet enkel voort in onze herinnering. Voor ons sterven ze ook niet als de herinnering vervaagt of uitgewist wordt omdat we er zelf niet meer zijn. Wat tussen mensen gegroeid is, dampt niet weg met de dood. Het graf is geen eindpunt, maar een teken van leven op een andere, onvergankelijke manier. Zusters en broeders, wij zijn net zoals Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus, en Salome in het evangelie van zo-even: wij plaatsen welriekende bloemen op de graven van onze overledenen. Ze doen dat op de eerste dag van de week, heel vroeg, als de zon juist opkomt. Misschien hebben ze dat inderdaad op dat moment gedaan, maar veeleer lijken die tijdaanduidingen symbolisch te zijn: ze doen dat op het moment dat het leven ontwaakt uit de schijndood van de slaap. En ze vragen zich heel bezorgd af wie de zware steen voor het graf zal wegrollen. De zware steen van het verdriet en het gemis, de steen van de dood die om hen heen waart. Zusters en broeders, ik wens u en mezelf toe dat we, net als die vrouwen in het evangelie, straks op het kerkhof een jongeman in een wit gewaad mogen ontmoeten. Een jongeman die zegt: ‘Vrees niet en treur niet. Zij die hier liggen, zijn niet hier. Dit is enkel de plaats waar gij hen hebt neergelegd. Maar ze zijn niet hier. En ze zijn ook niet dood. Gij kunt dus rustig met hen praten, met zachte stem zeggen hoezeer gij hen mist. Ze zullen uw woorden glimlachend aanhoren, en getroost zult gij heengaan.’ Zusters en broeders, laat ons Allerzielen een Allerheiligen zijn, en ons Allerheiligen een Allerzielen. Amen |
|
2008 |
In ons dikwijls eendere leven doen we met zijn allen
dikwijls dezelfde dingen. We staan op, kleden ons aan, ontbijten, gaan in de
dezelfde file staan op weg naar ons werk, kopen in de supermarkt dezelfde
dingen en staan in dezelfde rij. We werken hard, we gaan op vakantie. We
trouwen en krijgen kinderen die op hun beurt dezelfde dingen zullen doen als
wijzelf. Ze zullen dus op hun beurt trouwen of een relatie aangaan en
kinderen krijgen en in de file staan voor hun werk en in de rij voor de
kassa van de supermarkt. Dat altijd eendere leven, met hier en daar een
uitschuiver of een onverwachte gebeurtenis. Soms denk ik daarbij aan een
lied dat we in onze kerken zingen: ‘Mensen, hun dagen zijn als het gras, zij
bloeien als bloemen in het open veld. Dan waait de wind, en ze zijn
verdwenen.’ |
| homilie overweging |
|
| Rouwen, vergankelijk zijn, vertrouwen Tegenover de
onvatbare dood past eigenlijk alleen maar een nederig zwijgen. Maar mensen
kunnen en mogen niet zwijgen. Daarom ook trachten vooral kunstenaars
woorden, klanken, kleuren of vorm te geven aan het gemis, het verdriet, het
heimwee dat samenhangt met de dierbaren die ons zijn voorgegaan. |
|
homilie overweging |
|
| Soms
bannen mensen andere mensen uit hun leven. Verbitterd zeggen ze: die en die
wil ik nooit meer zien. Ze strepen hun naam door op de verjaardagskalender.
In de agenda voor het nieuwe jaar komen die naam en dat adres niet meer voor.
Hoewel ze niet gestorven zijn, bestaan ze niet meer voor zo iemand. In het voorbije jaar hebben velen van ons het tegenovergestelde gedaan. In een aantal families in onze parochie ging iemand door de dood van hen weg, van ons weg. En telkens merk je dan dat die dode niet wordt doodgezwegen, maar juist telkens opnieuw ter sprake wordt gebracht. In de verhalen over hoe het toen en daar was, komt de dode telkens tot leven, en door die verhalen komen nabestaanden op verhaal. Met veel respect blijft haar of zijn naam en foto opgetekend in het Boek van het Leven hier in de kerk. Met nog veel meer respect zal haar of zijn naam in de kring van familie en vrienden blijven klinken. Bij alle ontwikkelingen in de kerk heeft het bidprentje in onze streken gelukkig de trend van 'alles moet anders' overleefd. Zo'n gedachtenisprentje, want dat is meestal het karakter van het tegenwoordige bidprentje, wil in de meeste gevallen een klein en persoonlijk getuigenis zijn over de gestorven dierbare, een geschreven monumentje dat levend wil houden wie de overledene was, en hoe hij of zij in ons zal voortleven. Soms gaat het daarbij over 'hele' mensen - ik bedoel: mensen uit één stuk -, maar meestal gaat over gebroken mensen. Maar wat niet gebroken kan worden, en zo voelen velen dat echt, is het spoor van liefde dat ze getrokken hebben. En daarom zijn zo veel 'hele', maar ook gebroken mensen ons dierbaar - zeg maar: heilig - geworden. Allerheiligen en Allerzielen gaan daarom hand in hand; die twee gedachtenis-vieringen overlappen elkaar. Met Allerheiligen vraagt de kerk aandacht voor allen die naar het geloof van de kerk-met-een-grote-K heilig zijn. Zij zijn vast en zeker, leert de kerk ons, thuisgekomen in het licht van God. Mannen en vrouwen die een beeld kregen in de kerk, en een voorbeeld werden voor de kerk. Met Allerzielen gedenken we al die gewone maar zalige zielen die ons heilig zijn geworden: onze eigen man of vrouw, onze ouders, opa's en oma's, het veel te jong gestorven kind, die hartelijke vriend, collega, goede buur ... Ze leven in ons, want we dragen hen mee als een lichtje in ons hart. En we bidden, hopen en geloven vandaag nog meer dan anders dat ook God hen in zijn hart gesloten heeft en in leven houdt. Dat vertrouwen ontlenen we aan Jezus van Nazaret. Van Hem weten we dat God geen enkel mens uit zijn agenda of van de verjaardagskalender schrapt. Integendeel: onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand. En bij alle gemis, verdriet en vele vragen, mogen we soms troost vinden in wat op het bidprentje van Jezus van Nazaret te lezen staat: 'Omdat Hij opkwam voor kleine en gewone mensen, omdat Hij God onze Vader noemde, en alle mensen zijn broers en zussen, vond Hij veel te jong en onverdiend de dood. Van Jezus zelf weten we dat toen een paar vrouwen verdrietig zijn graf bezochten, ze Hem daar niet aantroffen. Wel twee mannen in stralend wit, die vroegen: 'Waarom zoeken jullie de Levende bij de doden? Hij is niet hier. Hij is verrezen!'. En in de evangelielezing, hoorden we hoopvolle geluiden van Jezus, toen Hij eerder bij het graf van zijn vriend Lazarus stond: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven'. Daarin mogen wij geloven, daarop mogen wij vertrouwen. Een schare van mensen die niemand tellen kan, is Jezus Christus nagegaan. |
|
|
2008 |
Het is volop herfst, in de afgelopen
week heeft het al een paar graden gevroren en 's morgens waren de daken wit.
Het is vroeg donker en de bladeren vallen gestaag van de bomen. De natuur
ademt dood en vergankelijkheid, maar de kerk viert een feest van licht en
leven op het feesten van Allerheiligen en Allerzielen. Want zo gaat dat vaak,
óók in de kerk, dwars tegen de natuur in, dwars tegen de heersende stroom
in. In de lezingen is die beweging ook aanwezig. Jezus prijst in de Zaligsprekingen die mensen, die normaal gesproken niet meetellen. Wie onderaan staan, tilt Hij op. De mensen in de schaduw plaatst Hij in het volle licht. De kleine man wordt onderscheiden. En daarmee is de boodschap van Allerheiligen en Allerzielen een blijde boodschap aan gewone mensen als u en ik, mensen, die hun best doen om een goed mens te zijn, maar die ook weten van kleinheid en onvolkomenheid. Want wanneer ben je arm van geest? Misschien wel als je het allemaal niet meer zo goed weet, als je het snelle en jachtige tempo van deze tijd niet meer kunt bijbenen. En hoe gaat het als je veel verdriet hebt? Dan moet je toch flink zijn! Dan vind je toch dat je daar niet mee moet aankomen bij je kinderen, want anders denken ze: Daar komt die ouwe zeur weer? En hoe gaat het met zachtmoedigheid, degenen, die niet met de vuist op tafel komen, de mensen die niet van zich afbijten. Zij zijn toch de “softies” van onze tijd, en die neem je toch niet serieus. En hoe, als je opkomt voor gerechtigheid en vrede, als je kiest voor een collega, die gepest wordt....of als je op straat je nek uitsteekt tegen de idioten in het verkeer. Dan riskeer je nog véél méér! En hoe barmhartig zijn we eigenlijk. Toen een aantal jaren geleden rond de kerstdagen de tsunami over zuid-oost Azië heen kwam, waren we diep onder de indruk van de beelden en tastten we diep in de buidel om de mensen te helpen; maar toen 10 maanden daarna er een flinke aardbeving was in Pakistan, zeiden we:”Hier hebben we niet zoveel mee...nú even niet....laat maar zitten deze keer!” En hoe gaat het met de zuiveren van hart? Hoe gaat het als je altijd je hart laat spreken? Of als je vrede wilt brengen tegen alles in? Er spelen – zeker nú bij de kredietcrisis - wel ándere belangen! De mensen die Jezus gelukkig prijst, die maken het meestal niet in onze wereld, die komen niet in de krant of op de TV. Het is een omgekeerde wereld; in het voetbalstadion zingen we:”We are the champions, my friend, no time for losers, we are the champions.” Maar hier, op het feest van Allerheiligen en Allerzielen horen we Jezus de losers, de verliezers, de kleine mensen de hemel in prijzen:”Zalig al die mensen, die vrede, recht en liefde zoeken in hun leven....!” Met Allerheiligen mogen we vieren, dat Jezus, het Lam van God, aan het kruis is gestorven en daarmee de dood heeft overwonnen. En met Hem worden alle mensen, die getekend zijn door het kruis en het leven, die hun gewaden wit gewassen hebben in het bloed van het Lam, geheiligd. Gehéélde mensen....Allerheiligen en Allerzielen gaan hand in hand. Het is één feest, in twee varianten. Met Allerheiligen gedenkt de kerk het geloof van grote namen en beroemde katholieken. Zij zijn zeker thuisgekomen in het licht van God en ze werden zij voorbeelden voor ons, die nog leven. Sommigen zijn heilig verklaard in het verleden, omdat dat kerkpolitiek goed uitkwam. Anderen werden bijna spontaan heilig verklaard, direct na hun dood. Zo herinneren wij ons allemaal de scanderende jongeren op het Sint Pietersplein bij de uitvaart van Paus Johannes Paulus II. Toen hij naar de crypte werd gedragen riep de duizendkoppige menigte: Santo subito!! (Direct heilig verklaren!). We hadden het hem graag gegund en misschien komt het er ook nog wel eens van. Maar eigenlijk is het ook niet eens zo belangrijk. Want met Allerzielen gedenken we al die gewone mensen uit ons eigen leven; onze pa, ons moeder, overleden broers en zussen, opa's en oma's, lieve vrienden en vriendinnen,te jong gestorven kinderen misschien, die wij gekend hebben en die ons voorgegaan zijn. Vaak waren zij voor ons al “zalige” mensen. Zij leven in ons hart, wij dragen hen mee als een lichtje in ons leven. Dat vertrouwen mogen we ontlenen aan Jezus zelf. Hij schrapt niemand uit zijn agenda. Integendeel, al onze namen staan voor eeuwig geschreven in de palm van zijn hand. En bij al ons eigen verdriet en gemis in deze dagen mogen we troost vinden in het bidprentje van Jezus zelf, waar we kunnen lezen: Omdat hij opkwam voor arme en kleine mensen, voor alle mensen die niet in tel zijn, omdat Hij God zijn Vader noemde en alle mensen broers en zussen, vond Hij veel te jong en onverdiend de dood. Maar toen een paar vrouwen zijn graf bezochten, vonden ze Hem daar niet meer. Wél een paar in het wit geklede mensen, die vroegen:”Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen.” En een menigte die niemand tellen kan, is Hem achterna gegaan, heiligen en zaligen, en onze pa en ons moeder; en die fijn buurman, die ik nog steeds mis en Frater Andreas, Peerke Donders, Pater Damiaan en de vorige paus. Zij mogen allemaal geheelde mensen zijn. Dat is het goede nieuws van Allerheiligen en Allerzielen! AMEN. |
|
homilie overweging |
|
| Harry
Mulish gaat op de Partij voor de Dieren stemmen zegt hij. "Dieren zijn
heiligen" zegt hij. En daarmee slaan wij, hier en nu, op Allerzielen, meteen
de brug naar gisteren, toen we Allerheiligen vierden. "Dieren zijn heiligen".
"Want dieren liegen niet, ze hebben geen dubbele bodem, ze kúnnen niet eens
liegen". "De beesten, dat zijn de mensen …". Aldus, opnieuw, Harry Mulish. Een vriend van mij heeft een poes. Tycho heet die poes. Tycho is een "birmees", een mager scharminkel. Vroeger waren ze met z'n tweeën. Toen had je ook nog Beer, die een "Briste korthaar" was, met zo'n hele brede kop. Tycho en Beer, echt "de dikke en de dunne". Vele jaren leefden ze samen in dezelfde ruimte. Beer had al wat langer gezondheidsproblemen. En begin dit jaar werd het menens. Nota bene op de dag van de begrafenis van de moeder van z'n ex vindt hij Beer zieltogend achter een kast en brengt hij hem naar de dierenarts … Dus toen was Tycho opeens alleen … Alleen in dat huis waar hij altijd met Beer was. Nu hing daar in het huis van die vriend van mij, die een echte kattengek is, ook altijd, boven de televisiekast, een schilderij met daarop het scherpe profíel van een poes. En wat gebeurt er nu … Voortdurend springt Tycho op de televisiekast, gaat voor dat schilderij zitten en gaat hartverscheurend klagen. En wel zó hartverscheurend dat het door merg en been gaat … Ik ben er vele malen getuige van geweest. Dat schilderij van de poes was voor Tycho echt wat je noemt "het verdwijnpunt van Beer". Dieren zijn heiligen. Een dier liegt niet. En een dier kan dus heel duidelijk een ander dier (en misschien ook wel een mens) míssen - en niet "alleen maar voor even". Nee, Tycho is er máánden mee doorgegaan - todat die vriend van mij, die het natuurlijk ook zát werd, tenslotte dat schilderij van de poes maar weg heeft gehaald en het heeft vervangen door een landschapje … En dan nóg kan Tycho de neiging hebben om voor dat landschapje te gaan zitten kermen … Zoals een dier kan missen, zo kunnen ook wij mensen "missen". Blijkbaar is dat iets animaals in ons, een oergevoel: de hevige hunkering, het intense verdriet, de martelende pijn om wie, om wat voorbijging; om wie uit het zicht verdwenen zijn, om wie ons verlaten hebben. Heel dicht bij de de ervaring van het dier, van de poes Tycho zittend voor de schaduw van Beer aan de wand, is de ervaring zoals die verword wordt in het waarschijnlijk bekendste middeleeuwse lied uit de Nederlandse literatuur: het Egidiuslied. Het is echt wat je noemt "een klaagzang": "Egidius war bestu bleven/Mi lanct na di gheselle mijn …". In de vertaling van Willem Wilmink klinkt het zó: Egidius, waar ben je gebleven? Ik mís je zo, mijn kameraad. Jíj koos de dood, liet mij het leven. Je vriendschap wás er vroeg en laat, maar 't moest zo zíjn, één van ons gaat. Nu ben je in 't hemelrijk verheven, helderder dan de zonneschijn, alle vréugd is jou gegeven. (…) Bíd nu voor mij, ik ben verwéven met deze wereld en zijn kwaad. Bewaar mijn plaats náást jou nog even, ík moet nog zingen, in de maat, tót de dood, die elk te wachten staat. (Egidius, waar ben je gebleven? Ik mis je zo, mijn kameraad. Jíj koos de dood, liet míj het leven. Je vriendschap wás er vroeg en laat, maar 't moest zo zijn, één van ons gaat.) … "Waar ben je gebleven?" "Waarheen?" "Waarvoor?" - Die vragen wellen als oerkreten op uit het hart van het mens-zijn - vooral als er een dierbaar mens (of ook: als er een dierbaar dier) gestorven is … In het Egidiuslied is het antwoord: "Nu bestu in den troon verheven" oftewel: je bent in de hemel opgenomen. En toch mensen: de pijn van het gemis is er niet minder om, hemel of niet … In onze tijd is de schroom om dat te zeggen, om dat te geloven, onbekommerd ("als je gestorven bent, dan ga je naar de hemel"); in onze tijd is die schroom heel groot geworden. En toch, lieve mensen, in het hart van het christelijk geloof blijft staan: Christus is verrezen! "Waarom zoekt U de Levende bij de doden?" En die verrijzenis van Christus is het onderpand als het ware en houdt de belofte in: dat ook de andere doden en in elk geval díegenen die in Zijn, in Christus' kielzog hebben getracht te leven en te sterven en naar wij mogen geloven: ook degenen die dat "spontaan" als het ware, "uit zichzelf" gewoon hebben gedáán; Christus' verrijzenis betekent dat ook zijn kameraden, zijn vrienden en vriendinnen, zijn broeders en zusters; dat ook díe zullen verrijzen, dat er ook voor hen een nieuw, een ander leven zal zijn … Eén van de laatste aanwinsten van onze kerk is een kunstwerk dat ik kado heb gekregen van Mary Fontaine, kunstenares te Almere. "Almary" noem ik haar graag. Mary heeft in de formele zin afscheid genomen van het christelijk geloof en van de katholieke kerk, maar ze is wel een héle grote vriendin van míj. En dat kunstwerk dat ik van haar kado heb gekregen (voor mijn jubileum) vind ik zó fantastisch dat ik het midden in de kerk heb gezet, op de altaartafel nota bene. Ik zie er in: een prachtig geloofsgetuigenis, een belijdenis van de verrijzenis en van het leven dat sterker is en verder reikt dan de dood, nee, dat oneíndig is. Mary heeft 't genoemd: "Geen kruis". Maar ik zie er in: kruis en verrijzenis inéén. Want de in de steen uitgespaarde kruisvorm is beschilderd met bloedrode verf - de herinnering aan Jezus' gruwelijke levenseinde. Maar inderdaad: Er ís geen kruis meer. Het kruis is weg. Je kunt er doorheenkijken. En op de rand van de steen zit een krans van spijkertjes die triomfantelijk met hun scherpe puntjes naar buiten staan. Met hun kop zitten ze vastgelijmd op de steen. Een stralenkrans van spijkers. Het kruis dat niet langer teken van een gruwelijke dood is, maar van stralende overwínning op de dood. Net als Tycho de poes hebben wij hier in de kerk ook onze "verdwijnpunten voor de mensen". Dat zijn de circa hondervijftig "gedachteniskruisjes" achter het hoogaltaar en in de dagkapel met daarop de namen van nog veel méér mensen. Zodadelijk zullen we bij op al die kruisjes lichtjes ontsteken (het is weer een dure avond voor de kerk!). Maar dat is een vrolijk en een warm gezicht - waarmee we de kille, starre dood van onze dierbaren vanuit ons geloof bijna brutáál en cynisch-in-omgekeerde- zin - weglachen bijna. Wij nemen hier de dood, waar de mensen zo bang voor kunnen zijn en die ze zo blóedserieus kunnen nemen; wíj nemen hier die dood niet zo ernstig en zo serieus … "God is vóór ons" zegt Paulus in de Romeinen-brief. En wíe kan ons dan nog wat maken? "Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard maar hem omwille van ons allen prijsgegeven" - precíes, denk ik mensen, om ons duidelijk te maken dat er belangrijker zaken en waarden zijn in het leven dan het pure óverleven. Met en in Jezus dood heeft God ons léven gegeven van het hoogste goudgehalte. Dat leven ontvangen wij aan dit altaar, keer op keer, dag in dag uit. Niets kan ons scheiden van de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus. Hij gaat door roeien en ruiten mensen. Géén dood houdt Hém tegen. Moge géén dood dan óns tegenhouden. Moge géén dood, de dood van niemand, de dood van geen enkele dierbare, ons van díe liefde, de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus; moge géén dood en geen dode ons dáárvan vervreemden en afscheiden. Dat wíj, lieve mensen, dát niet laten gebeuren. Aan God zal het niet liggen. Want Hij heeft ons met en in Jezus Christus reeds álles gegeven. Amen. |
|
homilie overweging |
|
|
2007 |
Hoe
kan het nu dat onze dochter er niet meer is. Zoveel pijn en zoveel verdriet.
Ze was zo kwetsbaar en zo lief En wij hier in de kerk zeggen: Voor haar mag alle pijn voorbij zijn. Ze is nu bij God die liefde is Hoe kan het dat ons kindje zo jong moest sterven, zo ziek moest worden en toch zo sterk was En wij hier zeggen. God houdt van mensen en alle kinderen ….Hij legde hen de handen op en zegent hen voor altijd Onze oma hield zoveel van ons. Waar is zij nu? Is ze een sterretje aan de hemel? Zit ze op een wolk en houdt ze ons nog een beetje in de gaten? En wij hier zeggen. We hopen en bidden dat zo mag zijn. Dat zij bij God zelf een plaatje mag hebben voor altijd. Is er wel een God als het leven zo oneerlijk lijkt? Is er wel een God als mensen veel te jong sterven En wij hier in de kerk zeggen: Ja er is een God. Geen God die zomaar als een tovenaar van bovenaf alles kan. Geen God die daarboven zomaar aan wat touwtjes trekt, maar wel een God, die Liefde is, niet met een lange baard als een soort Sinterklaas, maar God die de Kracht is, die mensen krijgen om verder te gaan. Geen God die zieken zomaar beter tovert, Maar een God die ons uitdaagt elkaar te helpen elkaar beter te maken in Zijn naam Geen God, die met een aanraking alles goed maakt Maar een God die ons vraagt elkaar een hand op de schouder te leggen Geen God die zomaar zijn wil oplegt aan het leven en de wereld Maar een God die mensen troost, nabij wil zijn, zoals in al die verhalen die Jezus vertelt naar voren komt Geen God die star is en boos en machtig en bazig Maar een God die zijn Zoon stuurde naar ons om ons te helpen en tot voorbeeld te zijn, die Zijn Geest bij ons wil achterlaten om elkaar te helpen voor elkaar te zorgen En er te zijn als we vragen hebben bij het leven, boos zijn op de dood en verdrietig zijn om mensen van wie we zoveel houden. Verdriet van mensen van velen van U hier vanavond om mensen die U mist, om mensen van wie U zoveel houdt ook over de grens van de dood heen. Er zijn geen pasklare antwoorden. Ik zou willen dat ik uw verdriet zou kunnen verminderen. Nee ik zou het niet willen, want verdriet om zoveel goeds wat is geweest is goed, mogen we niet wegstoppen of wegpoetsen. Ik wil er daarom graag iets bijgeven: een lichtje straks voor U, want in het Licht van God geloven we dat er nieuw licht mag zijn voor alle mensen die we blijven missen; een beetje vertrouwen, dat het goed mag zijn bij Hem die we van Jezus Vader, mogen noemen; papa mogen noemen: abba , zegt Hij Die zo dichtbij is al een lieve vader of een lieve moeder bij haar kinderen; een beetje Geloof dat het Leven niet zomaar voorbij is, dat God ons mensen niet alleen laat, dat het leven van Jezus zijn dood en zijn verrijzenis laat zien dat er een weg is opengegaan voor ons: de weg naar de vader. Er zijn in het verleden veel beelden ontstaan van de hemel: rijstepap met gouden lepeltjes, een stralend licht en we mogen ons blijven verbeelden hoe het daar zal zijn aan de andere kant van het leven. Jezus zegt: Er zijn veel kamers. Een vader loopt op ons af als op een verloren zoon. En wij mogen blijven dromen van een hemel waar het goed is en mooi; gras zachter dan zacht, groener dan groen. De lucht blauwe dan blauw. Koele beken, Zachte stromen, maar vooral Blijven Liefde voor altijd. |
|
homilie overweging |
|
|
2008 |
Sterker dan de dood Allerheiligen en Allerzielen is een duo, de voorkant en de achterkant van hetzelfde verhaal over leven en dood. Allerheiligen is wat wij hopen: God die alle mensen naar zich toe trekt. Gisteren Allerheiligen, vandaag Allerzielen. Allerzielen is wat wij weten: geliefde mensen die van ons afscheid hebben genomen. Als wij daarbij stilstaan en denken aan al de mensen die wij gekend hebben en die reeds gestorven zijn, dan lijkt ons leven veel op een lange treinreis die wij met velen begonnen zijn, tot de een na de ander uitstapt, dikwijls zonder afscheid te nemen, om te verdwijnen in de stilte van God. Bij jezelf stel je dan wel eens de vraag: waarom is die man of die vrouw zo jong gestorven, waarom zo onverwacht? Waarom heeft die persoon zoveel moeten afzien? Op TV-Eén loopt er deze weken een documentaire reeks met als titel: ’Doodgraag leven’. Vijf terminale kankerpatiënten vertellen daarin hoe ze omgaan met hun ziekte en hoe ze proberen om toch nog het beste te maken van de tijd die hen nog rest. Met deze documentaire wil men de boodschap doorgeven dat er nog leven is vóór de dood, ook al is het einde in het zicht. Een confronterend programma. Want terminale zieken confronteren mensen met hun eigen sterfelijkheid. Wat die patiënten doen is moedig: op een rustige, volwassen manier verwoorden zij uiterst kwetsbare emoties. Dat is weinig mensen gegeven. Misschien kan het programma mensen die in een gelijkaardige situatie verkeren op weg zetten om het taboe rond ziekte en dood te doorbreken. Er is leven vóór de dood, zeker. Maar valt er ook iets te vertellen over het leven na de dood? In het tv-programma kom je daarover weinig of niets te weten. Eigenlijk moet dit stilzwijgen ons niet zo sterk verwonderen. Het geloof in een leven na de dood is inderdaad geen evidentie meer. Voor veel mensen is het zelfs in tegenspraak met de tastbare feiten. En toch weet ik dat er een groot verschil bestaat tussen iemand die de dood beschouwt als het absolute einde (‘Alles is voorbij’) en iemand die het afscheid en het sterven kan beleven als ‘ik word verwacht. Ik mag thuiskomen in het Vaderhuis.’ Als de mens, ondanks de dood, een toekomst heeft, dan is dat niet omdat hij uit zichzelf onsterfelijk zou zijn. Van nature is de mens vergankelijk en sterfelijk. Dat er voor hem hoop op eeuwig leven is, is gebaseerd op Gods trouw. God laat de mens nooit vallen, ook niet in de dood. In onze prestatiemaatschappij worden mensen vervangen zodra ze niet meer nuttig zijn. Onvervangbaar ben ik alleen voor diegene die mij liefheeft. Welnu, als God van ons houdt zoals we het geleerd hebben van Jezus, dan zijn wij voor Hem onvervangbaar en dan kan Hij ons ook niet loslaten in de dood. Dat is een kwestie van vertrouwen. Zonder geloof en vertrouwen redden wij het niet. Vertrouwen in de liefde van God zoals die openbaar geworden is in Christus Jezus, die zegt ‘Ik ben de verrijzenis en het leven, wie in mij gelooft heeft eeuwig leven.’ Allerheiligen en Allerzielen zijn belangrijke feestdagen. Het zijn dagen waarop wij ons verbonden weten met die grote stoet van mensen die ons voorgingen in het vertrouwen en het geloof dat God ons thuisbrengt. Of we leven of sterven, Hem behoren wij toe. Alle speculaties over wat er komt na dit leven mag je gerust achterwege laten als je geloof en vertrouwen maar toenemen in een God die ons – of we leven of sterven – blijft liefhebben. Het geestelijk testament van zuster Emmanuelle, de voddenraapster van Kaïro, dat tijdens haar uitvaart in de kathedraal van Parijs werd voorgelezen begon met de zin: ‘De liefde is sterker dan de dood. De diepe vriendschap die wij samen beleefd hebben, heeft een eeuwigheidswaarde!’ Het leven van mensen speelt zich af tussen twee getallen, hun geboortedatum en hun sterfdatum. God echter bemint ons niet voor de korte duur van ons aardse bestaan, maar voor altijd. Zijn liefde duurt eeuwig. |
|
homilie overweging |
|
|
2008 |
“Weest
niet bedroefd”zegt Paulus in zijn brief aan de geloofsgemeenschap in het
Griekse Saloniki. Is de apostel een aanhanger van de Stoicijnen geworden die
leren dat je moet leren beheersen, en dat je je niet mee moet laten voeren
door je emoties, ook niet door vreugde en door verdriet? Nee, natuurlijk zijn wij, mensen bedroefd als een persoon van wie we houden en die veel voor ons betekent door de dood niet meer levend bij ons is. Ook als gelovige mensen voelen we dan verdriet. Maar ons verdriet laat zich beteugelen door de hoop. Paulus zegt dan ook niet zonder meer: “weest niet bedroefd”maar “weest niet bedroefd zoals mensen die geen hoop hebben”. Door ons geloof hebben wij uitzicht op het eeuwig leven. Dat geloofden de christenen in Saloniki ook. Ze zagen uit naar de dag waarop de dood niet meer zou zijn en Jezus Christus zou wederkomen, en het rijk van God zou aanbreken. Maar intussen waren enkele gelovige vrienden en familieleden gestorven. En nu waren ze bang dat voor hen de wederkomst van Christus te laat kwam. Paulus stelt hen gerust. De doden blijven niet achter in het verleden. Zij vallen niet buiten de boot. Ze zijn al opgenomen in de toekomst van God. Dus als het rijk van God aanbreekt en Jezus wederkomt, komt hij niet alleen, maar om hem heen allen die ons zijn voorgegaan door de dood. Door onze tranen heen valt het licht van het rijk van God dat komt. En daarin zijn ook onze overleden familieleden en vrienden en medegelovigen opgenomen. Als we uitzien naar de komst van Christus, van de definitieve overwinning over het kwade, van de definitieve ontmanteling van de dood, dan zien we ook alle mensen die we vandaag gedenken. op ons toe komen om ons te verwelkomen. Daarom zijn we natuurlijk wel verdrietig het kostbare verlies dat we als familie, vrienden en geloofsgemeenschap geleden hebben, maar ons hart ervaart een kracht die groter is, de kracht van de hoop op die toekomst waarin zij al opgenomen zijn en die ons wacht, iets dat alles te boven gaat Jezus vergelijkt een waarachtig menselijk leven met een zaad dat in de aarde valt en schijnbaar verloren gaat, maar juist zo veel vrucht draagt. Een waarachtig menselijk leven waarin plaats is voor medemensen, voor het leven zelf met zijn vreugde en verdriet, en voor God die niemand ooit heeft gezien, maar achter en in alles ons omgeeft. Wat blijft er over van zo’n leven. En verdwijnt het niet voorgoed in de dood? Nee, zegt Jezus, want ieder die mij dient, mag zijn waar ik ben; in de hemel bij God. Je zou de verhouding tussen ons leven hier op aarde en ons leven in de hemel kunnen vergelijk met een borduurwerk. Aan de ene kant de draden die afgeknipt zijn en soms zonder duidelijk patroon over het doek gaan. Maar keer je het doek om dan zie je een prachtige afbeelding. Het hiernamaals is dus geen uitwissing van dit aardse bestaan, met zijn vreugde, maar ook met zijn pijn en verdriet en onbegrip. Dan was het alsof dit leven voor niets geleefd was. Nee, het leven voorbij de horizon van de dood is dit aarde bestaan, maar dan omgekeerd, verheerlijkt, alles ten goede gekeerd. En als we elkaar eens weerzien, dan mogen we ook elkaar en elkaars leven omgekeerd zien zoals het patroon van het borduurwerk De levens van hen die we vandaag gedenken zijn niet voorgoed weg is, maar door God opgenomen in de hemel, de schatkamer waarin hij haar voor ons bewaart. Zoals wij haar bewaren in ons eigen schatkamer, ons eigen hart. Totdat we elkaar eens mogen weerzien over de grens van de dood waar de schatten niet meer verborgen zijn maar stralen voor ieders oog. Daarom zeggen we vandaag tot onze overleden familie en vrienden die we vandaag hier gedenken, van de kleine Daan die maar een paar dagen geleefd heeft tot Anton die honderd jaar mocht worden, jullie gedachtenis zij ons altijd tot zegen. Amen |
|
homilie overweging |
|
|
2008 |
In
onze tijd wordt gaandeweg weer meer gesproken over de ziel van de mens. In
gesprekken met families rond een uitvaart, hoor ik weer vaker dat mensen
zeggen, ik geloof wel in een hiernamaals. Ook onder wetenschappers hoor ik
vaker dan in het recente verleden dat zij geloven dat het leven niet eindigt
in het graf. En heel recent verscheen het boek van Pim van Lommel -
Eindeloos bewustzijn – als een nieuwe uiting van dit gegeven. Waarom zijn we hier samen? We zijn hier niet samen omdat we allemaal een bijna dood ervaring hebben gehad. We zijn hier samen in geloof. Gelovig zicht op leven na de dood is zoiets als kunst of muziek. Als je muzikaal bent, hoor je de schoonheid van alle muziek. Dan hoor je de muziek van een vogel en de muziek van de wind. Als je gevoel voor kunst hebt, wordt je ontroerd door de schoonheid van de natuur, de lichtval na een regenbui, een zonnestraal in een donkere kamer. En het is vrijwel universeel menselijk. Ik ken geen mensen die niet gevoelig zijn voor deze dingen. Zo heeft ieder mens in zijn innerlijk die religieuze aanleg voor wat ons overstijgt, dat aanvoelen dat het leven groter is dan wat we kunnen zien en pakken. Dat er ook meer is dan we kunnen meten of met fysica bewijzen. Zoals ieder mens aanleg heeft om liefde te ontvangen en liefde te geven. Zoals ieder mens aanleg heeft taal te leren en taal te spreken. Zoals ieder mens vanzelf begint te drinken, te kijken en te horen. Zo groeit uit het innerlijk van de mens in vele eeuwen dat bewustzijn dat de mens groter is dan zijn lichaam. We vieren Allerzielen anno 2008. In een turbulente wereld. Zekerheden wankelen, de mens bouwt zijn eigen wereld en ontdekt dat zijn wereld veel kwetsbaarder is dan hij dacht. Juist in deze omstandigheden kunnen we meer ontvankelijk worden voor de troost van die andere zekerheden. Het leven voorbij de dood. Johannes beschrijft het in de tweede lezing: Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Een nieuw Jeruzalem, een nieuwe heilige stad. Hij die op de troon zit, zegt: ‘Zie, Ik maak alles nieuw.’ het lijkt wel iets uit onze eeuw, alles wat nieuw is, is goed, is beter. Maar deze tekst is bijna 2000 jaar oud. Dit nieuwe is iets van God. Maar de beelden zijn heel oud, iets van onze oerervaring, als kind, als oude mens, als jonge mens en elke fase, waarin wij onze kleinheid ervaren: God woont onder de mensen, bij zijn Volk, hun God, God met hen. Hij zal hun tranen afvegen en de dood bestaat niet meer, niemand huilt meer, geen verdriet meer, al dat oude is voorbij. Hij maakt alles nieuw. Hoe durven wij dit te hopen, hoe durven we hierop te vertrouwen met een vast vertrouwen. Hoe durven we hier de namen te noemen van onze dierbaren, in het geloof dat zij leven. Dat geloof vinden we in de slotzin van het Evangelie. De twee mannen in een stralend wit kleed, vroegen de vrouwen: “Waarom zoeken jullie de Levende bij de doden? Hij is niet hier, hij is verrezen.” Wanneer we straks naar de begraafplaats gaan voor de jaarlijkse zegening van de graven, dan is dat vanuit dit geloof. Ze zijn niet meer hier. Dit graf is niet een bewaarplaats voor zielen. Deze graven herbergen de lichamen, die terugkeren naar de aarde. Maar zijzelf, zij leven. Waar? De engelen zeggen: ‘niet hier, Hij is verrezen.’ Daar krijg ik nog wel eens vragen over en het is niet altijd mogelijk om daar rond een begrafenis uitgebreid over te spreken. De zielen zweven niet rond. Zielen zijn geen spoken. Zielen zijn niet van die doorschijnende gedaantes die je niet kunt pakken en waar je wel mee kunt praten. Misschien dat je je hen zo kunt voorstellen en afbeelden, maar zo zijn ze niet. Wat is de ziel? De ziel, zoals ik het graag uitleg, is het raakpunt van de mens met God. Alles wat ik ben, wat ik denk, wat ik doe, alles heeft met mijn lichaam te maken, maar ook met God. Wanneer mijn lichaam ophoudt, en niet meer in staat is uit te drukken wie ik ben en wat ik doe, dan is er nog maar één die dat wél kan. De ziel kan louter op zichzelf niet bestaan. Als een mens sterft, bestaat hij alleen nog voort in God. En dan is het duidelijk dat alleen datgene wat bij God past, alleen dat wat bij God thuishoort, alleen dat wat blijvende waarde heeft, overblijft. Wie ik werkelijk ben, wat ik aan goed doe, daar waar mijn ziel steeds meer en beminnende ziel wordt, daar groei ik in God. Vanaf dat moment is God de drager van mijn ziel en alleen God kan mij een nieuwe gestalte geven, een nieuw lichaam, een nieuw en ander bestaan. En heeft dat nog te maken met deze wereld, deze materie, deze natuur, of is dat anders? ‘Zie, Ik maak alles nieuw.’ In God gaat geen mens verloren. Wat we wel beseffen is dat er in ons niet alleen goed is of kwaad, maar dat er een heleboel grijs is, van lichtgrijs tot donkergrijs. Alles wat niet helemaal duister is, kan gered worden, daar zijn nog sporen van liefde in aanwezig. Een mens die volledig liefde is, gaat als vanzelf over in God, want God is liefde. Een mens die vooral eigenliefde is, en die anderen haat, zal een lange loutering doormaken. Die weg wordt in het Latijn ‘Purgatorium’ genoemd, loutering, zuivering. Onze vertaling met ‘vagevuur,’ is niet zo gelukkig. Maar het is wel een begrijpelijk beeld. Innerlijk voel je een vuur, Gods liefde brand als een vuur in het hart van je ziel, de liefde brandt en verbrandt al je eigenliefde. Je onmacht om je te bekeren, wat je op aarde wel had gekund, de onmacht om te herstellen, wat je op aarde nog had kunnen doen, die onmacht, die afhankelijkheid, mag je rustig als een vuur beschrijven. Maar het kan ook afleiden, want een vuur lijkt teveel op louter een straf. Het gaat niet eens zozeer om een straf, het gaat eerder om herstel, genezing, zuivering, vervolmaking, voltooiing in de liefde. Allerzielen is ook een herinnering omwille van onszelf. Wij danken voor onze dierbare overledenen, we bidden voor hen, om die voltooiing, dat zij volmaakt mogen zijn in de liefde en volledig leven in God, in een nieuwe vrijheid, met een nieuw bestaan, Hij maakt alles nieuw. Wijzelf mogen nu nadenken over de kansen die wij krijgen, kansen om te groeien in liefde, want wie groeit in liefde, groeit in God. Wanneer we straks langs de graven gaan, is dat een gebaar van liefde, de liefde van Christus die alles nieuw maakt. Gods liefde die ons herschept. We zegenen de rustplaats van de lichamen van onze dierbaren en we zegenen al onze dierbare overleden in ons gebed, om die nieuwe hemel en die nieuwe aarde waarin God alles nieuw maakt. Amen. |
|
homilie overweging |
|
|
homilie overweging |
|
|
homilie overweging |
|
|
homilie overweging |
|
2011-08-10 07:41