tijd door het jaar
Allerheiligen
A - B - C

inleiding

openingsgebed

eerste lezing

Openbaringen 7, 2 - 4. 9 - 14

 

   

tussenzang

tweede lezing

1 Johannes 3, 1 - 3

 

   
evangelie  

 Mattheus 5, 1- 12a

 

  

homilie

 

voorbeden

gebed over de gaven

prefatie

slotgebed


homilie
overweging

1999

Sommige mensen vinden wel eens dat onze paus wel erg veel mensen zalig- en heiligverklaart.
Welnu, het is inderdaad waar, dat er de laatste jaren meer heiligen en zaligen zijn bijgekomen dan in de twee eeuwen daarvoor.
Ergens is het gek.
Deze zelfde paus waarschuwt voortdurend voor de verwordenheid van onze tijd.
De gruwelen van zonde en geweld zijn in weinig tijdsspannen zo zichtbaar geweest als in de onze.
En toch, juist in die tijd leven en sterven mensen die heilig zijn.

In de eerste eeuwen van de kerk was dit niet anders.
De meeste heiligen die als eerste zo vereerd zijn, waren de martelaren, de mensen die moedig standhielden juist in de tijd van verdrukking.
Hun heiligheid was een teken voor allen: wat er ook van buiten op ons afkomt: houd je blanke hart rein.
Zij waren de helden van hun tijd: zij waren niet meegegaan, maar voorgegaan naar een andere werkelijkheid.

Ook onze tijd is een tijd van grote afschuwelijkheden.
Nooit waren wij als mensen zo in staat elkaar naderbij te komen, omdat afstanden niet meer tellen, en communicatie wereldwijd geen punt is.
En toch, juist in deze tijd zijn meer mensen eenzaam dan ooit tevoren.
Juist in onze tijd zouden mensen de vooruitgang in wetenschap hebben kunnen benutten om een menswaardige wereld te scheppen, en zo mee te werken aan Gods plannen van vooruitgang.
En juist nu weten wij geen raad omdat wij het geweld niet kunnen beheersen en wij zo op geld en winst gefocust zijn, dat wij de geweldige mogelijkheden van medische en maatschappelijke hulp niet meer willen betalen.
En juist in deze tijd verklaart de paus de ene na de andere zalig en heilig.
Hij wil daarmee een teken geven van hoop: dit zijn de helden, dit zijn de mensen die zich niet laten meeslepen door de gebrokenheid, maar die de gebroken wereld zelf meeslepen, vooruit trekken, al is het een druppel op een gloeiende plaat.

Het enige dat ik persoonlijk graag zou zien, is dat de paus wat meer gewone mannen en vrouwen, in gezinnen, in concrete alledaagse omstandigheden buiten pastorieën, kloosters en instituten zou vinden, om hen heilig te verklaren na hun dood.
Want ik ben ervan overtuigd dat zeer velen in de ellendige situaties van onze tijd, waar ook ter wereld, iets weten waar te maken van de zaligsprekingen uit het evangelie.
Met vallen en opstaan, want armoede van hart, zuiverheid, zachtmoedigheid, en al die andere deugden, zijn niet van de een op de andere dag aanwezig.
Juist die mensen die levenslang worstelen, hun best doen, maar ook vallen, juist die mensen die altijd weer willen aanpakken, dat zijn de heiligen van onze tijd, en die van de toekomst.

Onze paus heeft gelijk.
Juist onze tijd heeft behoefte aan helden.
Aan mensen die tot voorbeeld gesteld kunnen worden.
Mensen die de moed niet hebben opgegeven.
Mensen die ook in onze alledaagse werkelijkheid een weg van hoop wijzen.
Aan eenvoudige gezinnen, aan mensen die alleen staan, aan mensen die moeten lijden.
En deze mensen zijn op de plaats van geluk waar wij naar pelgrimeren door de tijd.
Zij zijn er voor ons niet alleen als voorbeeld, maar ook als helpers.
Wij hoeven misschien geen beelden te snijden, hoewel: als ze maar tot ons spreken, en ons in verbondenheid met God brengen.
Daarom vieren we ook iedere eucharistie in verbondenheid met hun gemeenschap.
Zij staan rond ons altaar, en blijven bij ons.
Zo is er op hun voorspraak hoop voor onze tijd, een zaligspreking in de duisternis van de wereld, een teken van liefde voor alle mensen van goede wil.
Amen.


homilie
overweging

2000

Vandaag vieren we het feest van Allerheiligen.
We denken aan al de duizenden die, zoals dat heet "God mogen zien van aangezicht tot aangezicht," de duizenden die officieel door de Kerk zijn heilig verklaard, met name ook door de huidige paus; we denken ook aan al de onbekende heiligen, die als zodanig geen naam hebben, maar die onze ouders, voorouders, echtgenoten, broers en zussen en familieleden en vrienden geweest zijn. 
Zij hebben niet alleen een plaats in de hemel maar daarbij ook nog in ons hart.
Ook zij horen bij Allerheiligen.
In de eerste lezing hebben we gehoord over oude en nieuwe dingen.
Als we het hebben over de heiligen dan hebben we het over oude vertrouwde zaken, en we mogen hopen dat heiligen nooit ophouden te bestaan.
En wat te denken over nieuwe dingen uit de voorraad van de schrijftgeleerde? 
Ik wil even een van die nieuwe dingen aanhalen.
Dezelfde Kuitert, een protestants geleerde, die geschreven heeft wat u hoorde in de eerste lezing, heeft onlangs een nieuw boek uitgegeven.
Het heet: "Over religie.
Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars."
Wat ik er toe nu toe van begrepen heb is dit: Kuitert rammelt aan de grondslag van elke religie, rammelt aan het idee van God als persoon.
Het gaat daarbij om de God als "de man daarboven".
De kinderen in groep 7 en 8 beschreven hem zo: degene aan wie ze hun bestaan te danken hadden, degene die beloonde en strafte, degene die bepaalt wanneer ze doodgaan en naar wie ze heen zullen gaan na hun dood.
Wat plechtiger gezegd: die jongens en meisjes noemen God de oergrond van hun bestaan, het grote raadsel, de macht waarvan we afhankelijk zijn.
Als die kinderen dan verder proberen te beschrijven waar het in het leven omgaat dan schrijven ze niet meer over die machtige, verre God, maar over ...mensen, mensen die je aanspreken, mensen die voor je instaan of voor wie jij instaat, dan spreken ze over zorg hebben voor anderen, voor de natuur, in het kort dan hebben ze het over doen en laten van mensen dat blij maakt, dat stil maakt, dat veilig maakt.
Ze beginnen met God maar als ze het gaan uitleggen is er van God niets meer te bekennen.
In die trant schrijft Kuitert over God.
En hij noemt dat een onttakeling, een afbreken van God. En daar tekent hij bij aan: "Het enige dat ik kan zeggen is dat mijn boek resultaat is van lang nadenken, van een levenslange omgang met de traditie.
Het maakt bladzij na bladzij duidelijk, denk ik, dat de weg niet is die van een gemakzuchtige aanpassing aan de moderne cultuur, maar een moeizame worsteling om los te laten wat niet meer door de beugel kan, religieus niet, intellectueel niet, en dus ook voor je geweten niet."
De heiligen van het Allerheiligenfeest dat we vandaag vieren, hebben het gehouden op God als het antwoord op alles.
En daar zijn ze groot mee geworden.
De heiligen van na het boek van Kuitert, zullen wel praten over God als een diepe ervaring van buiten en van boven.
Als ze dan gaan uitleggen waar dat allemaal op neer komt dan zullen ze iets zeggen zoals de kinderen van groep 7 en 8: het komt er op neer dat je elkaar ziet staan, dat je naar elkaar luistert, dat je elkaar een hand geeft, dat je samen deelt, samen verder trekt.
Heiligen zijn gezegenden, gezegend door God.
Van de nieuwe soort heiligen, zoals de kinderen van groep 7 en 8 het zien, kun je dan zeggen: zij zijn mensen die elkaar tot zegen zijn, die elkaar zegenen, die elkaar tot bloei en schoonheid en onvermoede menselijkheid brengen.
Zonder God te noemen brengen zij onder elkaar en met elkaar tot werkelijkheid wat we altijd aan God hebben toegeschreven: dat wat ons dieper, rijker mens maakt, dat wat ons ontroert, dat wat ons stil laat worden.
Dat wat ons doet zeggen wat is het goed om mens te zijn.


homilie
overweging

2001

Dit zijn dagen van herinnering...
Eerst komt de naam, met liefde uitgesproken, dan het verhaal en zo komt hun identiteit ons voor ogen.
De naam is het begin van de herinnering.
Zo leven mensen verder in ons hart, in onze gesprekken.
Ooit schreef de psalmdichter dat onze naam staat geschreven in de palm van Gods hand.
Als God ons niet kan vergeten, dan gaat ons verhaal verder, dan wordt onze identiteit niet afgebroken.
Als God ons blijft liefhebben...
dat is de zaligheid.
Wie is er zalig in Gods ogen ? 
Wie zijn vandaag de armen van geest ? 
Zijn dat niet die mensen die nog geloven in een ideaal, in een utopie ? 
Die zich nog inzetten belangeloos en met veel liefde voor een wereld zoals die nog altijd niet is tot stand gekomen. 
Zijn dat niet die mensen die geloven in de vrede als een stille kracht die veel sterker is dan alle agressie en alle assertiviteit ? 
Die geloven in de stille kracht van de vergeving, veel sterker dan elke wraak.
Zijn dat niet die mensen die geloven in het wonder van het bestaan, die geloven dat alles zijn betekenis heeft en dat er Iemand is die er zijn bedoeling mee heeft ? 
Zijn dat niet die mensen die geloven in God als hun persoonlijke vriend die hen nooit alleen laat ? 
Natuurlijk zullen die mensen het niet ver brengen, natuurlijk zullen zij een etiket opgeplakt krijgen van achterlijk, of uit de tijd, of conservatief.
Natuurlijk zullen zij tegenstand oproepen en daar onder lijden.
Zalig zijn zij...
Hun namen staan geschreven in de palm van zijn hand; hun verhaal gaat verder in zijn herinnering.
Hun identiteit leeft verder in Gods diepste wezen. 
Binnentreden in het gebed, gevoelig worden voor Gods nabij zijn is ook binnentreden in die andere wereld waar zij kind aan huis zijn.

2002

'De herberg van de acht zaligheden' zo zou men de kerk van Christus kunnen noemen. 
Een herberg waar ieder welkom is maar waar men een speciaal biertje tapt. Een abdijbier uiteraard. 
Ge moet er voor zijn. Ge moet er voor kiezen. 
In het evangelie van vandaag kijken we even naar het etiket. Hier staat in het kort uit welk vaatje wordt getapt. 
'Zalig' staat er : En daarmee wordt een zeer bijzondere vorm van gelukkig zijn aangeboden. 
Zalig als ge u niet blind kijkt op de rijkdom van anderen. Zo kun je heel gelukkig zijn ook als je arm bent. 
En als je onrecht wordt aangedaan. Koester dan geen wraak word er niet bitter onder en je zult gelukkig zijn. 
En als er aanleiding is tot ruzie en je treedt verzoenend op, zalig ! Uw innerlijke vreugde is enorm. 
Zalig als je elke avond je hoofd kunt neerleggen in het besef dat je niemand kwaad hebt gedaan. 
Natuurlijk, zegt het evangelie. Dergelijke mentaliteit zal u niet altijd in dank worden afgenomen. Soms zul je voor velen een dwarsligger zijn, een streep door hun rekening. Maar denk er aan er is meer dan dit leven en deze korte tijd. Uw uiteindelijke bestemming ligt aan de overkant. Durf daar naar toe te leven. 
Is dat innerlijk geluk wel bereikbaar voor ons, gewone mensen ? 
Wij die leven in een samenleving die op andere principes is gebouwd. Komt het er in de commerce en in het arbeidsmidden en in de politiek en in de vrije tijd niet op aan om zich te affirmeren, om assertief te zijn en alleen rekening te houden met jezelf en je eigen ambities ? 
Inderdaad, de herberg van de acht zaligheden stapt men niet zo gemakkelijk binnen. Soms zouden we zelfs twijfelen of ze wel bestaat. Is het niet veeleer een visioen om naar toe te leven. 
De acht zaligheden zijn geen geboden of verboden. Zij zeggen alleen : Probeer het, proef er van en misschien wordt je wel zalig, dat wil zeggen : dronken van geluk. 

 


homilie
overweging

2000

Het is al heel  wat jaren geleden dat de kerken vol heiligenbeelden stonden, mannen en vrouwen met een aureool achter hun hoofd, tronend op hun sokkel, hoog boven de hoofden van de mensen.
Letterlijk opgehemeld.
Onbereikbaar.
Ze werden ons echter wel 'ter navolging' aanbevolen.
Maar als je er die heiligenlevens op nalas, klonk dat allemaal zo vroom en vaak onaards - voor een simpele ziel als u en ik onnavolgbaar.
Het best functioneerden ze nog als 'voorsprekers', die, op dringend verzoek in tijden van nood, eens een meevaller voor ons in de wacht moesten slepen.
Een soort verbindingsagenten tussen de wereld en een heel verre God.

Dat die heiligenbeelden, op een Mariabeeld na, verdwenen zijn, is symptomatisch.
We hebben Gods heiligen uit het oog verloren, en ook een beetje uit het hart.
We weten niet goed meer wat we ermee aan moeten.
De huidige paus probeert het tij te keren: nog nooit in de geschiedenis werden in één en hetzelfde pontificaat zoveel heiligverklaringen geproclameerd.
Zoveel medaillewinnaars op de Olympische Spelen van de deugd werkt inflatie in de hand.
Een heiligenkalender die plooit onder het gewicht van het aantal, werkt eerder contraproductief. Althans, zo voel ik het aan.
Zouden we niet beter het feest van Allerheiligen naar de folklore van het Rijke Roomse leven verwijzen?

Aan die bekoring mogen we niet toegeven.
Dan gooien we het kind met het badwater weg.
We doen er beter aan te zoeken hoe we aan dit feest nieuwe inhoud en zin kunnen geven.
En waar kunnen we ons beter herbronnen dan aan de bron van onze gelovige wijsheid: de Schrift.

 In zijn hemelvisioen schreef Johannes dat er onder de kinderen van Israël 144.000 getekend werden met Gods zegel.
Dat is geen mathematisch maar een symbolisch getal: twaalf is het getal van de 'volheid', 'volledigheid'.
Vollediger en volmaakter dan twaalf keer twaalf is niet denkbaar.
En dat maal duizend.
Dat is dus een duizelingwekkend aantal.
En dat alleen al uit de kring van de 'dienstknechten van God'! Heiligheid is dus niet gereserveerd voor de elite van kalenderheiligen.
Allerheiligen is gewoonweg een volksfeest.
En naast die eerste categorie stond rond Gods troon ook nog "een grote menigte die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen".
Die tweede massa heiligen behoort niet tot de eigen, dus christelijke traditie, maar is bijeengebracht over alle grenzen van godsdienst, kerk- en mensengeschiedenis heen! De hemel is dus niet het privilege van christusvolgelingen; de hemelpoorten staan wijd open voor elke mens waar doorheen God zijn Licht mag laten schijnen - of hij God wel kent of niet kent, doet niet ter zake! Met Allerheiligen brengen we dus hulde aan die massa's gewone mensen - christen of niet - die behouden zijn thuisgekomen bij de God van alle Licht en Leven.
Die God discrimineert niet, ook niet op grond van godsdienstige overtuiging.
Kennelijk is hij veel gastvrijer en ruimhartiger dan de klassieke kerktraditie voor mogelijk achtte.

De evangelielezing richt de Allerheiligenschijnwerpers op nog een derde groep heiligen.
Ze vangt aan  met: "Toen Jezus de menigte zag...".
Ook hier dus een hele menigte.
En Jezus kijkt ernaar.
Met een blik die niet alleen de menigte ziet, maar scherp genoeg is om in de menigte te zien; om te zien dat daar een allegaartje van menselijke eigenaardigheden bijeenzit - net zoals in de kerk van vandaag:

Er zitten mensen tussen die hunkeren naar macht en anderen die de kriebels krijgen van elke vorm van gezag die ze verwarren met heerszucht;

mensen die vooral bekommerd zijn om hun eigen ego-wereldje, en anderen die vinden dat er wel wat voor 'de minsten der mijnen' moet gebeuren en daarvoor graag bereid zijn hun portemonnee aan te spreken, maar niet om van levensmentaliteit te veranderen;

mensen die roepen om meer solidariteit met de Derde Wereld, maar weinig solidariteit aan de dag leggen in eigen kring, in hun gezin, op het werk.

Deze groepen en nog veel meer ziet Jezus bijeen zitten aan de voet van de berg, ergens in Galilea.
Niet erg motiverend als je uit zulk materiaal een kerk wilt gaan opbouwen en op het punt staat in een lange bergrede de grondwet van het Rijk Gods af te kondigen.*
Maar Jezus heeft ook zo zijn eigenaardigheden.
Hij begint met de bekendmaking van zijn prioriteitenlijst: Hij spreekt zíjn reeks zaligverklaringen uit.
Nog voor ze iets gepresteerd hebben, nog voor ze de maatschappij één stap verder gebracht hebben, prijst hij acht soorten mensen zalig.
Geen topfiguren, geen kampioenen van de deugd, geen professionele wereldverbeteraars.
Maar het zijn wel de mensen naar wie zijn voorkeur uitgaat.
Hij ziet iets in hen:

de armen van geest; de getroffenen; de geweldlozen,
zij die snakken naar gerechtigheid die voor hen niet lijkt weggelegd,
zij die spreken met hun hart en dat hart zuiver willen bewaren in een verontreinigde wereld,
zij die vrede zoeken waar tweedracht en concurrentie de gebruikelijke strategie is,
zij die uitgerangeerd worden en belachelijk gemaakt omdat ze zo naïef zijn om in Jezus te geloven, en er nog voor uitkomen ook.

In deze mensen ziet Jezus toekomst voor zijn kerk en voor een betere wereld.

Zij zelf weten waarschijnlijk niet eens dat Jezus iets in hen ziet.
Ze vormen slechts een bescheiden onderlaag, een weinig relevante groep.
En toch zijn ze 'heiligen', door Jezus zelf zalig verklaard.
Zij zullen de wereld weer op verhaal moeten brengen.
Je leest hun namen niet gauw in de krant, hoogstens in een overlijdensadvertentie.
Maar op een gegeven moment herinner je je dat je met deze mensen écht hebt kunnen leven; dat je in hun nabijheid een beetje vrijheid hebt gevonden; dat je bij hen je veilig, thuis, geborgen hebt gevoeld, en misschien een tijdje gelukkig bent geweest.

"L'enfer, c'est les autres", zei de franse filosoof Jean-Paul Sartre, "de hel, dat zijn de anderen".
Die mensen propageren een christelijke variant: "De hemel, dat zijn de anderen".
Daarom worden ze kinderen Gods genoemd, want waar zij zijn, daar kun je nog geloven in zo iets utopisch als het Rijk Gods.

Daarom alleen al is het meer dan de moeite waard om het feest van Allerheiligen te blijven vieren: het vieren van ook die heiligen.


homilie
overweging

2001

We kennen de helden van deze tijd.
Echte en vermeende helden; helden van daad en helden gemaakt (door de media); helden voor altijd (elke gemeente heeft wel een monument om hen te gedenken, de helden van de grote oorlog); helden van één moment die zo diep vallen als hun standbeeld hoog was.
Het heldendom kan vasthangen aan één daad.
In die zin maakt de gelegenheid soms ook de held; heldendom vraagt veel moed, een opstoot van adrenaline ook, een ingeving van het moment.
Jonge mensen dromen van heldendaden, meer dan ouderen die te weten gekomen zijn dat veel dromen niet meer dan narcistische eigen-wensen-droompjes zijn.
In die zin is het maar goed ook dat veel dromen niet uitkomen.


Alle heiligen

Heiligheid en heldendom hebben niet veel gemeen.
Heilige mensen dragen vaak geen greintje heldenmoed in zich; het zijn geen helden van één daad.
En waar helden gemaakt worden door diegenen die hen uitroepen tot held,zijn de meeste heilige mensen dat op een heel stille en ongekende manier.
Waar de held iets buitengewoons doet dat hem tot held maakt doet een heilige mens juist niets bijzonders; of beter gezegd: een heilige doet het doodgewone op een buitengewone manier.
Naar een held kijk je op, je applaudiseert, je wenst hem of haar proficiat 
In de nabijheid van een heilige mens word je stil en denk je bij jezelf: God, zo een groot geloof als deze mens heeft, heb ik zelf niet.
God geef me meer geloof.
Een held kan je worden op slag, heilig is men nooit, men wordt het een beetje met een keer 
Een held word je hoog op een berg, diep in ’t water, doorheen een vlammenzee, in een spaceshutle, een heilige word je in de keuken en de living, achter de bureau of de machine, op een paar vierkante meter
Natuurlijk zijn er heiligen die heldendaden hebben verricht en zeker zijn er helden die ook nog heilige mensen waren, maar door de band heeft heiligheid weinig uitstaans met heldendom.

Op Allerheiligen toont de kerk zich op haar best: ze gedenkt kleine mensen en steekt ze in de hoogte.
Zo maakt ze waar wat ze gelooft en steeds luid verkondigt: dat God houdt van mensen die in hun gewoon bestaan gewoon het goede doen.
Vandaag erkennen wij het wonder van alle vaders en moeders die het normaal vonden voor hun kinderen te zorgen.
Vandaag zeggen wij dat er poëzie steekt in het leven van die mensen die nooit een gedicht maakten; dat er muziek steekt in het leven van al die mensen die nooit een lied hebben gecomponeerd; we danken God voor al die mensen die niet leefden van glorie en ook niet voor glorie.
We danken God omdat mensen geen heldendaden moeten presteren om heilig te worden maar dat het kan in poetsen en zorgen, in treuren en lachen, in wassen en koken, en voeren en halen, in alles wat mensen voor anderen doen.

Die nu rusten van hun werken, zij spreken en getuigen nog om ons geloof te sterken; dat wij de weg ten einde lopen, verbonden met dat éné heilige volk dat verder trekt in liefde en in hope.
Komt zingen wij tezamen met alle heiligen


homilie
overweging

2002

Zalig zij... 

Leven en dood zijn nauw met elkaar verweven.In de natuur zien we hoe ieder jaar opnieuw de lente en de zomer worden gevolgd door de herfst, m.a.w. dat alles wat in schoonheid is open gebloeid ook weer verwelkt, verdort, afvalt.De cyclische gang van de natuur is hard: alles wat in de lente en de zomer tot leven gekomen is, sterft af in de herfst en de winter.Mutatis mutandis is de zekerheid in een mensenleven dezelfde: ieder mensenleven dat geboren wordt, zal eens moeten sterven.Dit is een onafwendbare zekerheid.Alleen over de duur van het leven en de wijze waarop het een einde zal nemen, bestaat geen zekerheid.

Tijdens de periode waarin in de natuur alles afsterft, viert de kerkgemeenschap het hoogfeest van Allerheiligen en Allerzielen.Twee liturgische feesten die tijdens de eerste eeuwen van het christendom ontstaan zijn.Beide feesten horen onlosmakelijk bij elkaar, maar leggen duidelijk verschillende klemtonen: op Allerzielen worden alle overleden gelovigen herdacht en wordt er gebeden opdat zij deelachtig mogen worden aan het mysterie van Jezus' verrijzenis, terwijl op het hoogfeest van Allerheiligen de focus gericht staat op 'alle heiligen' die ons de weg naar het hemelse Jeruzalem zijn voorgegaan.Op Allerheiligen ligt de klemtoon op de mogelijkheid van alle gelovigen om in het voetspoor van diegenen die ons zijn voorgegaan 'heilig te worden', m.a.w. in het rijk van God binnen te treden, deelachtig te worden aan de uiteindelijke voltooiing van deze wereld.Om het niet zwart-wit, maar met de liturgische kleuren paars-wit uit te drukken: het feestelijke wit van Allerheiligen maakt ons blij en opgewekt omwille van het einddoel dat in de focus geplaatst wordt, terwijl het paars van Allerzielen de droefheid omwille van onze overleden medemensen centraal plaatst.

Typerend voor het hoogfeest van Allerheiligen is de prefatie: 'Vandaag vieren wij het feest van uw eigen Stad.Zij is onze moeder, het hemelse Jeruzalem.Daar klinkt al uit een kring van onze broeders en zusters in eeuwigheid uw lof.Daarheen zijn wij als pelgrims onderweg.Geleid door het geloof spoeden wij ons voort, vol vreugde om de verheerlijking van deze kinderen der kerk, in wie Gij ons, zwakke mensen, een steun en voorbeeld schenkt.'Eén en al dankbaarheid voor het einddoel en voor de mensen die ons de weg erheen zijn voorgegaan.Hoe anders klinkt de prefatie van Allerzielen (derde formulier): 'Hij die uit de dood is opgestaan, Hij is het licht der wereld, onze enige hoop; in onze angst omdat wij moeten sterven, troost ons uw belofte, dat wij eens onsterfelijk zullen zijn met Hem.Gij neemt het leven, God, niet van ons af, Gij maakt het nieuw, dat geloven wij op uw woord; en als ons aardse huis - ons lichaam - afgebroken wordt, heeft Jezus al een plaats bereid in uw huis, om daar voorgoed te wonen.'Dit is een scharnierpunt in de liturgie van Allerzielen: hoe droef en angstig wij ook zijn, wij mogen geloven en hopen dat wij eens zullen deelachtig worden aan de verrijzenis waarin Jezus van Nazaret ons is voorgegaan.

Wat betekent het wanneer we zeggen dat 'alle mensen heilig zijn'?Eigenlijk is er maar één volmaakt heilig: God, ons aller Vader.Maar als de mens geschapen is als het evenbeeld van God, dan deelt hij ook in Gods heiligheid.Is dat geen reden om te vieren?Terecht betrekken we ook onze overledenen bij deze viering: zij blijven inspirerend aanwezig.Maar toch ligt de klemtoon op het leven!Leven is zinvol, heilig voor God.In de mate dat mensen mee gebouwd hebben aan Gods rijk - zoals het geschetst wordt in de zaligsprekingen - mogen zij met Jezus de berg op om naar de toekomst vooruit te blikken.Voor mensen die op onze aarde bouwen aan Gods rijk is er inderdaad hoop voor de toekomst.Zonder de pijn en het verdriet te minimaliseren legt het hoogfeest van Allerheiligen de klemtoon op de hoop: indien wij proberen te leven volgens de zaligsprekingen zullen wij eens met Jezus te gast zijn in het huis van zijn Vader, zullen ook wij deelachtig worden aan de verrijzenis en het eeuwig leven waarin Jezus ons is voorgegaan.Zoals God het leven van Jezus van Nazaret niet heeft laten verloren gaan, maar voltooid, zo zal Hij ook het leven van alle gelovigen eens tot voltooiing brengen.

Maar wat dan met al die gevoelens van verslagenheid, gemis en verdriet omwille van dierbaren die ons ontvallen zijn?Hier kan een citaat uit de gevangenisbrief van Dietrich Bonhoeffer van Kerstavond 1943 wellicht inspiratie bieden: 'Als je van iemand houdt en je bent van hem of haar gescheiden, kan niets de leegte van die afwezigheid opvullen.Je moet dat niet proberen, je moet eenvoudig aanvaarden en volharden.Dat klinkt hard, maar het is een grote troost, want zolang die leegte blijft, blijf je aldoor met elkaar verbonden.Het is fout te zeggen: God vult die leegte.Hij vult haar helemaal niet... integendeel.Hij houdt die leegte leeg en helpt ons zo de vroegere gemeenschap met elkaar te bewaren, zij het dan ook in pijn.Hoe mooier en rijker de herinneringen, des te moeilijker de scheiding.Maar dankbaarheid verandert de pijn van de herinneringen in stille vreugde.De mooie dagen van vroeger zijn geen doorn in het vlees, maar een kostbaar geschenk dat je meedraagt.Je moet zorgen dat je niet in je herinneringen blijft graven en je erin verliest; een kostbaar geschenk bekijk je niet aldoor, maar alleen op bijzondere ogenblikken.Buiten die ogenblikken is het een verborgen schat, een veilig bezit.Dan wordt het verleden een blijvende bron van vreugde en kracht.'


homilie
overweging

2001

In het boek van de Openbaring staat het aantal van hen die het zegel van onze God droegen; 144 duizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël.
Dit geeft me de gelegenheid om het stukje dat uit de lezing weggelaten is wel voor te lezen; 
het is natuurlijk gek om het weg te laten, alsof we op Allerheiligen geen tijd zouden hebben om de lijst met de twaalf stammen van Israël te horen;
ik lees het bovendien in de nieuwste vertaling: (Openbaring 7, 4 - 8)
verzegelden, is het woord voor getekenden, verzegelden, voorzien van het zegel van de Heilige God, van de Allerheiligste, de Allerhoogste. uit alle stammen, uit de 12, die de breedte van heel het volk tonen en daarnaast, denk niet ter snel dat je het al hebt.... uit heel de wereld een onafzienbare menigte die niet te tellen is maar die, en dan verbinden we het met het evangelie, die niet te tellen, maar wel in tel is bij Jezus, toch gezien wordt door Jezus; en Hij zag de menigte en Hij ging de berg op en zette zich op zijn plek als leraar, als iemand die de menigte zag en doorzag en wist wat ze nodig hadden: Gods Woord voor onze levensweg. 
In het boek van de Openbaring wordt van die menigte nog gezegd:
in het wit gekleed, smetteloos, d.w.z.: zonder alles wat er aan onze handen kleeft; 
hoe komen ze aan die witte kleren; het zijn toch ook mensen...?? en denk dan niet aan mensen die zo geleefd hebben dat ze hun kleren en hun handen hebben kunnen schoonhouden;
nee, het gaat over mensen die geleefd hebben met enorme inzet, met moed en overgave, met bloed, zweet en tranen en een enorme inspanning. 
En het antwoord op de vraag naar dat wie en dat wit, is een antwoord dat helemaal past bij de beelden van het boek van de Openbaring : het zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, uit de grote verschrikkingen, uit de ellende van welke tijd dan ook, gewone mensen die het leven met alles wat dat met zich meebrengt hebben doorstaan, maar wordt er dan van gezegd:
ze hebben hun kleren wit gewassen met het bloed van het Lam. 
Het Lam van God dat alle zonde, alles wat er aan kwaad in de wereld is, wegneemt, wit wast, maar dan zonder banktruc, Heer, ik ben niet waardig: 
Maar dat hoeft ook niet, want het Lam zelf neemt het initiatief; 
hij wast onze niet-waardigheid weg, hij wast onze gewaden wit zodat we smetteloos voor zijn aangezicht kunnen staan. 
Die menigte zag Jezus, en hij zag hoe ze voedsel nodig hadden, onderricht, hoe ze het nodig hadden dat het Rijk van God aan hen voorgehouden werd als toekomst, nee, als al in ons midden begonnen, want het Lam Gods was op aarde om Gods toekomst te proclameren.. 
Heiligen, zaligen, de mensen die het perspectief niet hebben opgegeven, mensen die zo geleefd hebben dat anderen zich aan hen kunnen optrekken, die zo vol zijn van God en van de Geest, dat ze ervan uitstralen. Laten we niet te veel denken aan de officiële rijtjes, hoewel daar velen bij zijn die in het hart van heel wat mensen een zeer warme plaats hebben, laten we liever denken aan de mensen die ons zicht op God en op het rijk van God geven. 
Vol van de Geest.
Augustinus geeft in zijn commentaar op de Bergrede een verbinding tussen de zaligsprekingen en de gaven van de Geest. Als mensen vol zijn van de Geest, dan zijn zij degenen die zalig geprezen worden, die hier en nu al het Rijk van God realiseren. 
Heilig is en blijft natuurlijk wat apart, wereldvreemd, maar niet in de zin dat je geen weet hebt van de wereld, of dat je je ogen sluit voor wat er gaande is, nee, heilig ben je pas als je donders goed weet wat er te koop is, en toch kiest voor het andere, toch kiest voor de weg zoals Jezus ging.
Die was ook apart, afgesneden, van een andere orde, van de nieuwe orde waartoe God hem geroepen had, van de orde van het koninkrijk van God.
God roept zijn volk, zijn mensen, zijn schepsels op om beeld van God te zijn, ook de heiligheid van God te verbeelden, juist in het gewone van hoe je omgaat met elkaar, hoe je omgaat met de natuur, hoe je omgaat alles wat adem heeft.

 


homilie
overweging

2001

Het is vandaag Allerheiligendag. Bijna had ik gezegd: "We vieren vandaag het feest van Allerheiligen", maar een feest stellen we ons toch anders voor. Op een feestdag kom je samen met familie of vrienden. Dan is er te eten en te drinken, er is passende muziek zoals met Kerstmis en Sinterklaas. Een grote feestdag laat zich niet zo maar verplaatsen naar de zondag, maar heeft zijn eigen dag, zoals Allerzielen op 2 november. Dan praat je in een gezellige sfeer met familie en vrienden over de mensen van vroeger om niet te vergeten. 
Misschien dat Allerheiligen ooit weer zo'n feestdag wordt, maar vandaag moeten we ons beperken tot, laten we het een "bezinningsdag" noemen. Heeft ook wel wat. Wat zijn heiligen eigenlijk, is het plezierig om heilig te zijn en zo ja hoor ik daar bij? In de kerkelijke boeken worden heiligen voorgesteld als een soort idolen, zoals je die ook hebt in de kunst, in de sport en zo, ideaalfiguren of helden. Dan gaat het over mensen die Gods ideeën, zoals we die van Jezus van Nazareth kennen, op meer dan gemiddelde manier hebben beleefd en uitgedragen. Heilig betekent eigenlijk: aan God gewijd. Het is meteen duidelijk dat het niet onmogelijk, maar vooral niet zo simpel is om daar bij te horen. Soms werden en worden ze door het volk als zodanig erkend en aangewezen, maar meestal is het de kerkelijke overheid die ze naar voren schuift. In beide gevallen sluipt er wel eens een vergissing in. De heilig verklaarde blijkt achteraf meer en boef te zijn geweest of helemaal niet bestaan te hebben. Onder deze laatsten schijnt de heilige Christoffel te behoren ofschoon er zeker mensen geleefd hebben die bijzondere bescherming aan medemensen boden, laat ze dan eigenlijk Jan of Kees geheten hebben. De huidige paus Johannes-Paulus heeft dat ruimschoots gecompenseerd door tijdens zijn pontificaat er zo'n 1500 heilig te verklaren. 
Je moet wel eerst dood zijn, een levende maakt geen kans. Zo'n heilig verklaring heeft voor de persoon in kwestie geen voordelen, wel voor de nabestaanden die hem of haar tot idool hebben genomen. Het geeft enige garantie dat ze op het goede spoor zitten. Van de heilige zelf weten we niet meer dan dat deze eeuwig geluk bij God ten deel is gevallen, maar die heilige is daar waarachtig niet alleen, zo vernemen we vandaag van Johannes uit het boek de Openbaring en van Jezus zelf uit het evangelie. Het gaat daar over de velen die niemand tellen kan en hier stijgen de kansen ook voor de minder heldhaftigen, ja zelfs voor ons met een hoop goede wil maar ook met nogal wat gebreken. De grote massa schijn te bestaan uit de zachtmoedigen, degenen die door veel verdriet heen moeten, vredebrengers in huis, degenen die eerlijk door het leven gaan, eindeloos veel gewone, maar goede mensen die het met al hun goedheid vaak zo tegen zit, juist helemaal geen helden, maar die in angst moeten leven of degenen die net als Jezus gewoon goed willen doen, maar daarin dikwijls miskend worden. Voor zowel die helden als die antihelden wordt groot en eindeloos geluk aangezegd op deze dag van Allerheiligen. Aanleiding genoeg om vandaag even na te gaan of we behoren tot een van hen of actie te ondernemen om er toe te gaan behoren. Als dat zo is is er eigenlijk reden genoeg om toch wat feest vieren, bescheiden, want het is niet gemakkelijk het steeds vol te houden. Amen

2002

Er is nog nooit iemand op het idee gekomen om een feestdag te wijden aan alle schurken van vroeger en nu. Daar kunnen we wel een paar redenen voor verzinnen. Ten eerste verdienen ze geen feestdag, ten tweede hebben ze tijdens hun leven vaak maar al te veel aandacht gekregen en ten derde willen we ze maar liever niet kennen en het zijn er veel te veel. 
Heel anders is dat met mensen waarvoor we waardering hebben, mensen die we dankbaar zijn en we willen al herdenkend ze graag een beetje in ons midden houden. In de beginjaren van het christendom was dat nog een beetje bij te houden, maar al gauw moest men erkennen dat het er meer waren dan men kon onthouden. Als het eigen familie betrof zou dat nog wel lukken, maar er zijn er nog zo veel meer. Daarom is dat feest van Allerheiligen in 5e eeuw bedacht met de bedoeling dat het goede van goede mensen nooit in de vergetelheid zou raken. 
Een aantal namen zijn bekend gebleven, want hun woorden en vooral daden waren heel apart. Er zijn heiligen aan wie uiterst merkwaardige daden zijn toegeschreven, soms zelfs op het bizarre af. Zoals een heilige die zonder enige bescherming met besmettelijke zieken omging of een heilige die van pure heiligheid boven de grond kon zweven. Wat daar van klopt was en is moeilijk na te gaan. Zeker is dat hoe langer het geleden is hoe meer erbij gefantaseerd is. Daardoor is de afstand tussen heiligen en gewone mensen, waar we onszelf ook onder rekenen, die afstand is erg groot geworden. Die afstand begint eigenlijk al onmiddellijk na het overlijden, want we het herinneren ons alleen het goede. Dat is een verdienste niet alleen van de overledene, maar vooral van de nabestaanden. Ook die gewone dierbare mensen die ons in het leven voorgingen willen we gedenken, vooral degene waarmee we ons sterk verbonden weten. Vandaar die feestdag sinds de 9e eeuw: Allerzielen. 
Allerheiligendag en Allerzielendag stonden vroeger veel ver uit elkaar, maar steeds meer zijn we gaan ontdekken dat die heiligen en die gewone zielen niet zo veel van elkaar verschillen, zo er al verschil is. Zonder ook maar één heilige te kort te willen doen: Geschiedkundigen en vooral degenen die die heiligenlevens eens zijn gaan napluizen hebben ontdekt dat achter die grote namen van heiligen altijd een heel gewone mens schuil ging, die heel veel goed deed, maar waaraan tegelijk ook van alles mankeerde. En zo zijn heilige en gewone zielen, mensen dus, dichter bij elkaar gekomen tegelijk met hun feestdag. Dat Rijk Gods waar de een al helemaal is binnengegaan en waar anderen, wij, deels nog naar op weg zijn, dat is de ontmoetingsplaats voor allen. 
Ieder van ons kent meer dan een overledene die een warm plekje had in ons hart en heeft behouden. Vandaag en zeker hier en nu roepen we ze terug in onze herinnering, want al hebben we hun lichaam ten grave gedragen, henzelf en alle goedheid die hen bezielde die begraven we niet, maar houden we in ons midden. 

 

2005

Ofschoon we nog volop in de hersft zitten, de klok kent maar twee tijden: zomertijd en wintertijd. Vandaag zijn we die wintertijd in gegaan. De herfst en de winter nemen we waar als een neergang in de natuur en ze wijzen ons, of we dat nu leuk vinden of niet, op de levenscyclus ook van ons mensen. Het zijn vooral die twee dagen, Allerheiligen en Allerzielen, die we hebben uitgetrokken om daar even bij stil te staan. Meer nog dan op andere dagen komt de pijn om het verlies van onze dierbaren weer opzetten, meer nog dan op andere dagen spannen we ons in om vooral dankbaar te gedenken. Dat betekent dat we er toch een beetje een feest van willen maken, misschien wel door onze tranen heen. Maar we vieren danook niet het verlies, we vieren wat we behouden.
Elke mens staat op een knooppunt van relaties: Ik ben er dankzij mijn ouders, mijn familie, vrienden en vriendinnen, er zijn een heleboel mensen waarvoor ik iets kan betekenen en mensen die voor mij iets betekenen. Zij zijn de grond waarop ik sta en zonder hen zou ik in het onbetekenende niets weg vallen. Zij leven als het ware in mij en ik in hen. Niets van wat ik doe of heb gedaan kan nog ooit gewist worden uit de geschiedenis van mensen. Daarom alleen al kan niemand met recht en reden zeggen dat er geen leven zou zijn na de dood.
Deze onverwoestbare, nooit meer wegvallende verbondenheid met mensen die fysiek niet meer naast ons staan, die vieren we vandaag. Met de een voelen we ons en zijn we ook meer verbonden dan met de ander. Als het gaat om mensen die niet uit onze naaste familie- of vriendenkring komen dan zijn het vooral enkele idolen, lichtende voorbeelden, waarmee we ons meer dan met anderen verbonden kunnen voelen. In de gelovige gemeenschap noemen we die "heiligen". Daarvan zijn er in Gods kerk heel wat te boek gesteld, omdat we misschien wel met een zekere trots ze tot de onzen willen rekenen. We hebben door de eeuwen heen een zekere selectie gemaakt, omdat hun aantal zo onafzienbaar is. Sommige van hen hebben heel bijzondere dingen gepresteerd, maar volmaakt waren ze geen van allen. Dat is maar goed ook, want onder volmaakten zouden we ons niet thuis voelen, die zijn niet van onze wereld.
Maar bovenal voelen we ons verbonden, en dat zijn we ook, met onze bloedverwanten, vrienden en al diegenen die we gekend hebben en die ons hebben gekend. Ook zij waren geen van allen volmaakt zodat we ons bij hen thuis kunnen blijven voelen. Natuurlijk proberen we die mooiste herinneringen op te halen en vast te houden, maar al herinneren wij ons niets, verbonden zijn we toch: zij zijn en blijven een deel van ons persoonlijk bestaan. Op allerzielendag noemen we de namen van degenen die ons in het afgelopen jaar ontvielen. We noemen hier en onder elkaar nog veel meer namen. Dat is meer dan alleen gedenken. Het is warm houden in ons hart, opnieuw liefde en dankbaarheid laten opwellen.
Hoe ver gaat onze herinnering, hoe ver onze gevoelens van waardering, van dankbaarheid, van verbondenheid? Wat verbindt ons nog meer met elkaar hier samen en met hen die ons voorgingen? Christenen zullen niet aarzelen hun gezamenlijke en persoonlijke verbodenheid met God warm te houden. Die ligt misschien wat ver weg, maar komt met zijn zoon en onze medemens Jezus Christus toch ook dichtbij. Heilig betekent immers: met God verbonden. De mensengeschiedenis loopt nu eenmaal ook vanaf Hem.
Op Allerheiligendag en Allerzielendag vieren we die verbondenheid die over alle tijd heen gaat, die de neergang van de fysieke dood niet kent, we vieren dus eeuwig leven, God en mensen samen.

  In de lichtstad Eindhoven, hier heel dichtbij, staat een grote fabriek, die jaren geleden begon met het fabriceren van gloeilampen. Was er eerst nog het licht van een kaars, die het wat lichter maakte als de herfst inviel en de bladeren van de bomen waaiden, sinds de uitvinding van die gloeilamp scheen er licht in lente zomer herfst en winter.
Er kwamen meer soorten licht: TL en neon, ultraviolet en nog veel meer. En overal kwam ook licht: lantaarnpalen met veel licht. Er kwam zelfs zoveel licht dat er weer bespaard moest worden: energie besparend licht. Nu is licht zo gewoon, dat zelfs de lichtjesroute in Eindhoven al niet meer zo bijzonder is en als het ergens nog donker is, dan kun je er maar beter niet komen.
Zo schijnt er licht: heel veel licht!
Gelukkig kunnen ook mensen hun licht laten schijnen. Ze kunnen het leven van anderen letterlijk en figuurlijk lichter maken. Door de eeuwen heen zijn er gelukkig heel veel mensen geweest in alle soorten en maten van alle gezindten en van alle landen, die het opnamen voor hun medemensen, voor de kwetsbaren in de wereld, voor de armen, de zieken, voor vluchtelingen voor alle mensen die op wat voor manier een nieuw licht in hun leven nodig hadden. Ook in onze kerk zijn er veel van die mensen geweest en gelukkig zijn ze er nog. We mogen beginnen met Jezus, die met de woorden van het evangelie van vandaag alle kwetsbaren in de samenleving zalig prijst. Waarom Jezus dat doet,is meer dan duidelijk: omdat al die kwetsbare mensen nog leefden in het donker. Het was helemaal niet zalig voor hen om te leven. In Jezus geest zijn er veel mensen, talloze mensen geweest, die hem dat nagezegd en nagedaan hebben. Sommigen van hen hebben een eretitel gekregen in onze kerk, omdat ze op een heel bijzondere manier het licht van Christus hebben laten schijnen in de wereld. Dat het er eigenlijk ontelbaar veel zijn, heeft onze vorige paus laten zien door tijdens zijn pontificaat meer dan 1500 mensen heilig en zalig te verklaren.
Vandaag is het Allerheiligen. Een dag om ons aan het denken te zetten hoe wij in ons eigen leven het licht van Christus kan laten schijnen voor mensen om ons heen. Hoe we de boodschap van Jezus van licht en liefde voor mensen gestalte kunnen geven in het leven van alle dag.
Horen we bij die groep van mensen die licht laten schijnen voor hun omgeving? Is er nog wat bij te sturen in ons leven om voor onze kinderen, onze ouders, onze partner, onze buren, onze geloofsgemeenschap, onze vereniging en noem maar op, een lichtje te zijn. Met de uitvinding van de gloeilamp begon het pas licht te worden.
Ook met onszelf begint het pas. We mogen Gods Licht laten schijnen
om ons heen.

2010

boelbeelden

Honderden jaren lang heeft de gewoonte bestaan om de voorsteven of boeg van een schip te voorzien van een boegbeeld. Soms was het een leeuw of een zeemeermin of een mythologische figuur, maar ook wel de afbeelding van een persoon waarvoor men ontzag had. Als we vandaag Allerheiligen vieren denken we aan laatst genoemde boegbeelden. Zo’n boegbeeld zit op de voorsteven en daar wordt de eerste stoot opgevangen, terwijl de opvarenden zich op een veiliger deel daarachter bevinden. Heiligen staan er om bekend dat zij vaak het voortouw hebben genomen bij het naderbij brengen van Gods wereld. In de eerste lezing van vandaag noemt de schrijver hen “degenen die uit de verdrukking zijn gekomen”. Ze hebben dikwijls onder druk gestaan van hun omgeving die hen maar rare figuren vond omdat ze andere zaken belangrijk vonden dan wat de meesten belangrijk vinden, niet zo gericht op het hebben en zijn van nu, maar met hun blik op een verre toekomst bij God, over de horizon heen, zoals een boegbeeld ziet. Maar ze hebben meestal meer druk ondervonden van binnen uit, in hun geloof gebeukt door twijfel, angst en onzekerheid, zoals ook Jezus Christus heeft doorstaan, maar ze zijn er doorheen gekomen en daarom is er een boegbeeld of een gewoon beeld van gemaakt. In sommige gevallen is men aan zo’n beeld allerlei eigenschappen en verwachtingen gaan toekennen. Dat was natuurlijk te gek en dus daar kwam natuurlijk weer een reactie op: de Beeldenstorm. In protestantse kerken zult u nog steeds weinig of geen beelden aantreffen en wordt het idee overeind gehouden dat men in katholieke kerken, zoals in menige heidense cultuur, beelden aanbidt. Maar boegbeelden, mensen die ons voorgaan en voorgingen, waar we een voorbeeld aan kunnen nemen, die onze diepste, maar moeilijk te bereiken idealen, verwoorden, daar wil niemand aan voorbij gaan. Dat zijn de heiligen van vroeger en nu. Het zijn er een heleboel; honderdvierenveertigduizend en meer.
Het mag wel eens gezegd dat er in de eerste eeuwen van de Kerk nogal wat mensen waren die men bewonderde om hun standvastigheid in geloof of om andere vormen van inspiratie. Heilig verklaren dat deed niet de paus, maar het gelovige volk. Onze Lidwina van Schiedam bijvoorbeeld werd al eeuwen lang ten voorbeeld gesteld en als een heilige beschouwd om haar standvastig en inspirerend geloof. Pas honderden jaren later kwam een paus op het idee eens een keertje plechtig te verklaren wat iedereen al vond. De officiële heiligverklaring is uiteindelijk exclusief door het pausdom ingelijfd, maar gelovige mensen kennen er veel meer, meestal uit hun eigen omgeving en ze hebben daar geen officiële verklaring voor nodig. Het is niet toevallig dat de feestdag van Allerheiligen en Allerzielen zo zicht bij elkaar liggen, we mogen zelf sorteren.
Wat hadden en hebben heiligen dan voor iets bijzonders waardoor ze boegbeeld zijn geworden? “Heilig” wil zeggen dat er een bijzonder nauwe band is met God. Die band kan tot stand komen bij mensen die gegrepen werden en worden door een soort ervaring van de Albeheerser op een heldere avond, bij de aanblik van al die miljarden sterren of door de stilte van een groot bos of door de geboorte van een kind. Het zijn ervaringen die iedereen die ervoor open staat wel eens kan hebben.
Heiligen hebben die ervaring vast gehouden en zijn God blijven zien in heel de wereld als een wonder. Daarom hebben ze een diep respect opgevat voor die wereld, met haar natuur, haar dieren, haar muziek, haar mensen en zo zijn ze er toe gekomen om met dit alles met eerbied en zorg om te gaan. Die mensen mogen naar voren gehaald en gevierd vandaag. De beste manier om dat te doen lijkt me: ons open te stellen voor dit soort Godservaringen om met datzelfde repect met mens en wereld om te gaan.


homilie
overweging
  Ik denk dat ik binnenkort toch maar met pensioen moet gaan. Niet omdat ik deze week 65 ben geworden, de meeste normale mensen gaan op deze leeftijd met pensioen, maar de reden is een andere. Voorbije week was er een groepje kinderen van de stap-voor-stap-groep bij elkaar en het ging daarbij over heiligen, i.v.m. het feest van vandaag. Er werd gevraagd of ze enkele heiligen konden noemen. En toen zei een van hen: de pastoor. Als dat van je gezegd wordt, wordt het tijd dat je met pensioen gaat.
Nu is het natuurlijk de vraag of kinderen enig idee hebben van wat een heilige eigenlijk is, maar dat geldt ook voor volwassenen. Weten wij wat een heilige eigenlijk is? Het is immers een titel met een heleboel lagen, een heleboel betekenissen. Naar een paar van die betekenissen wil ik samen met u even kijken.
In de kerkelijke traditie is een heilige iemand die zeker in de hemel is en daar als onze voorspreker bij God kan functioneren. Ze moeten om heilig verklaard te worden eerst een paar wonderen doen om te bewijzen dat ze ook echt in de hemel zijn. Hoe meer wonderen, hoe groter de heilige, hoe dichter zij bij God staan. Heel de geschiedenis door hebben mensen dit prachtig gevonden, een hulpje boven kan nooit geen kwaad.
Eerlijk gezegd zegt dit beeld van heilige mij niet zoveel. Een heilige is voor mij veel meer een gewone mens die hier en nu een beetje hemel op aarde schept, die iets goeds uitstraalt, die op de een of andere manier licht is voor mensen. En het wonder dat zij doen is niet iets spectaculairs maar wel dat zij het leven wat warmte en kleur geven juist ook waar velen niet meer geloven dat het kan.
Het hoeven geen volmaakte mensen te zijn, niemand is volmaakt, maar wel gewone mensen met fouten en gebreken die toch de hemel een beetje laten oplichten voor mensen om hen heen. Dat zijn heiligen en een titel hebben ze niet nodig, en gelukkig zijn er heel veel van die heiligen, ook in onze samenleving, onopvallend, onbekend, ze timmeren niet aan de weg, niet vereerd, maar wel geliefd bij mensen met wie zij het leven delen.
Een heilige wordt ook vaak gezien als iemand die op heldhaftige wijze zijn geloof beleefd heeft. Hier kun je aan de martelaren denken en aan anderen die een soort vrijwillig martelaarschap zochten in een leven vol verstervingen en boetedoeningen.
Daar zitten best heel bijzondere mensen bij, mensen voor wie je alleen maar grote bewondering kunt hebben, maar er zitten ook een stel fanatiekelingen bij waarbij je de nodige vraagtekens kunt zetten bij hun heiligheid. Het zijn in elk geval heiligen waar je niets mee kunt.
Dan heb ik veel meer bewondering voor mensen die in deze tijd trouw blijven aan hun overtuigingen wat anderen ook zeggen, mensen die tegen de stroom in durven gaan ook al is met de stroom mee veel en veel gemakkelijker. En die mensen zijn er gelukkig nog volop, ook al lijkt het tegendeel soms het geval te zijn.
Er wordt ook wel gezegd: heiligen zijn mensen die een voorbeeld zijn voor ons, voor heel de gemeenschap. En pastoors die tussen Overloon en Stevensbeek 80 rijden in plaats van de toegestane 60 zijn geen goed voorbeeld, dus niet heilig. Maar er zijn ook een heleboel officiële heiligen die ik echt niet als voorbeeld kan zien. Er zijn er een heleboel waarvan ik denk: zo wil ik beslist niet leven.
Maar mensen die een voorbeeld zijn moeten we veel dichter bij huis zoeken We kennen allemaal wel mensen van wie we zeggen: dat is een fijne mens, dat is een goede mens, op die of die wil ik wel een beetje lijken. Bijna iedereen heeft wel trekken in zijn leven die navolging verdienen. Bijna iedereen heeft wel fouten en gebreken die dus geen navolging verdienen.
Als ik bij het voorbereiden van een uitvaart bij een familie kom om te praten over hun overleden vader of moeder, of partner, dan wordt er vooral over hun goede kanten gepraat, de dingen waar men bewondering voor had en heeft, waarden en normen die men ook in eigen leven waar wil maken. De voorbeelden voor ons leven zitten niet in de hemel, die leven in ons midden als we er maar naar willen kijken. De heiligen in de hemel komen we misschien later nog wel eens tegen, nu kunnen we voorbeeldige mensen ontmoeten in onze eigen familie, in onze gemeenschap, mensen die we persoonlijk kennen of gekend hebben.
Allerheiligen is het feest van alle goede mensen van verleden en heden en bij die gemeenschap van heiligen horen ook wij, moeten we ook willen horen.

Een grote hobby van onze huidige paus is: mensen heilig verklaren. Hij heeft er al meer heilig verklaard van tientallen van zijn voorgangers samen. Vroeger was een heiligverklaring iets heel aparts, nu lijkt het haast op lopende bandwerk. Er zijn wel mensen die zeggen: dit is een devaluatie van het begrip heilige. Als er zoveel mensen heilig verklaard worden, dan is dat niets iets bijzonders meer, dan wordt het gewoon. Zo gewoon is het nu ook weer niet, maar op zich is het goed dat het wat gewoner wordt. Heilig zijn is eigenlijk iets gewoons, of misschien moet je zeggen: het zou iets gewoons moeten zijn.
Wij zijn vanuit de traditie gewend om heiligen te zien als heel bijzondere mensen, een soort krachtpatsers, die met kop en schouder uitsteken boven andere mensen. Dat klopt ook wel, maar er lopen ook heel veel mensen rond die helemaal niet opvallen in hun manier van leven, die dus ook nooit heilig verklaard zullen worden. Het zijn gewone mensen die gewoon goed leven, en die mensen zijn ergens nog veel belangrijker dan de officieel heilig verklaarden. Dat sommige mensen wel opvallen en anderen niet is vaak afhankelijk van allerlei factoren die iemand zelf niet in de hand heeft.
Neem zo'n moeder Teresa die pas zalig verklaard is. Die heeft veel bekendheid verworven door haar werk in Calcutta, maar er zijn daar in Calcutta en elders nog veel meer mensen die juist als zij veel goed gedaan hebben aan de armsten der armen maar die nooit in de publiciteit gekomen zijn, maar die misschien nog veel heiliger zijn dan moeder Teresa.
We maken vaak de vergissing om heilig te zien als volmaakt. Maar geen mens is volmaakt, ook de heiligverklaarden niet. Alleen God is volmaakt en elke mens heeft de opdracht om zo goed mogelijk te leven, voorzover dat in zijn omstandigheden mogelijk is.
Heilig zijn heeft wezenlijk te maken met goed leven en goed leven heeft alles te maken met goed zijn voor anderen. In die zin is moeder Teresa een goed voorbeeld. Maar dat goed zijn voor en goed doen aan medemensen kan op duizend en een manier gestalte krijgen. En in die zin zijn er veel meer heiligen dan de officieel heiligverklaarden: gewone onopvallende mensen die gewoon goed leven: ouders die op een fijne manier voor hun kinderen zorgen, kinderen die goed voor hun oud geworden ouders zorgen, vrijwilligers in allerlei soorten en maten die zich dienstbaar maken aan de samenleving. Met hun fouten en gebreken zijn het toch heilige mensen. Alleen wordt het begrip heilige zo nooit verstaan.
Vroeger werd heiligheid vaak opgehangen aan heel speciale dingen die mensen in hun leven gedaan hadden. De eerste heiligen in de geschiedenis van het christendom waren de martelaren: mensen die vanwege hun geloof gemarteld en vermoord werden. Later kreeg je van die aparte, soms heel vreemde figuren die allerlei vormen van boetedoening en versterving deden, die bijvoorbeeld zichzelf geselden of op andere manieren kwelden. Het heeft volgens mij niets met heiligheid te maken, tenminste niet heiligheid in de zin van goed leven en goed doen aan anderen. Met dat soort heiligen kun je ook niets. Heiligen staan veel dichter bij ons dan we vaak denken.
Als Paulus het heeft over heiligen, dan bedoeld hij gewoon alle mensen die in Jezus geloven en die zijn weg proberen te gaan, die weg van liefdevolle dienstbaarheid.
Als wij in deze dagen meer dan anders denken aan onze overledenen, dan zullen we niet gauw zeggen: het zijn allemaal heiligen, want dan denken we toch weer in termen van volmaaktheid en dat is geen mens. Maar we denken wel aan alles wat zij voor ons betekend hebben, aan alle mooie en goede herinneringen die wij aan hen bewaren. En in die zin horen zij wel bij die gemeenschap van heiligen. In die zin zijn ze ook een voorbeeld voor ons: Dat het goede dat zij gedaan hebben, ook in ons navolging vindt. Dan kunnen we terecht het feest van Allerheiligen vieren.


homilie
overweging

2002

'We moeten niet proberen heiligen te worden', zei vroeger kardinaal Suenens. 'We moeten proberen het te blijven.' Hij bedoelde hiermee dat elke mens al alle mogelijkheden, alle kansen in zich draagt om heel en heilbrengend te zijn. Het is maar een kwestie van deze kansen te ontdekken, te ontplooien en niet te laten bedekken door nutteloze dingen. Elke mens is in wezen heel bijzonder. Maar dat nemen we zo slecht aan. Als je aan mensen vraagt om hun eigen karakter te beschrijven, krijg je in een mum van tijd een reeks negatieve kenmerken. We kennen onze eigen zwakheden zeer goed en ergeren er ons aan. Het lijstje met de goede eigenschappen is veel korter. We gaan niet graag voor verwaand door en schromen ons dus om over onszelf veel goeds te zeggen.
Nelson Mandela verwoordde dit prachtig: 'Onze grootste angst is niet dat we onvolmaakt zijn. Onze grootste angst is, dat we mateloos krachtig zijn. Het is ons licht, niet onze schaduw die ons het meest beangstigt! We vragen onszelf af: Wie ben ik wel om briljant te zijn, talentvol, fantastisch? Maar...wie ben jij om dat niet te zijn? Je bent een kind van God. Je onbelangrijk voordoen bewijst de wereld geen dienst. Er is niets verlichts aan jezelf klein te maken, opdat andere mensen zich bij jou niet onzeker zullen voelen. We zijn allemaal bedoeld om te stralen als kinderen. We zijn geboren om de glorie van God, die in ons is, te openbaren. Die is niet alleen maar in sommigen van ons: die is in iedereen. Als wij ons licht laten stralen, geven we onbewust andere mensen toestemming hetzelfde te doen.'
Allerheiligen, het feest van de hele mensen, is ons feest. Het is het feest van alle mensen die nog durven geloven, in zichzelf, in anderen, in onontgonnen talenten en nog te ontdekken diepten in het leven. Durf maar!

Ouderhart

Onze oudste dochter pubert. Dat betekent dat ze soms erg kinderachtig is, maar ook dat ze ons bij tijden verrast door een opvallend volwassen gedrag. Die afwisseling schijnt bij pubers perfect normaal te zijn. Nu ja, ze heeft van die momenten waarop ze haar jongste broertje opvangt met zoveel moederlijke zorg, dat ik er een warm gevoel van krijg. Deugddoend. En aan de andere kant kan hun eindeloze gekibbel aan tafel me wel eens wanhopig maken. Vermoeiend. Het raakt me dat ze elkaar soms de duvel aandoen, maar ja, kinderen!
Wanneer ik met God praat, heb ik het vaak over mezelf. Over de dingen en mensen die ik tegengekomen ben, de zaken die me bezwaren, de mensen die gedragen moeten worden. Maar heel af en toe, en veel te weinig, vraag ik Hem ook hoe het met Hem gaat. Als antwoord komt dan een gevoel van pijn, een diep en groot verdriet. Het lijkt wel alsof God getroost moet worden. Hij lijdt, dat is soms voelbaar. Als Hij zich zijn kinderen aantrekt zoals wij als ouder op aarde doen, maar dan zoveel keer meer, is dat ook zeer begrijpelijk. God is liefde en kan niet anders dan lijden door wat mensen op aarde doen. Net zoals ik afzie wanneer onze kinderen het weer eens zitten hebben, zo lijdt Hij ook onder de menselijke miserie op aarde. Hij hoopt op en geniet van wat warmhartigheid, wat vrede, wat zorgzaamheid onder zijn mensenkinderen. Maar we doen alsof we dat niet weten en maken elkaar het leven zuur. Daar lijdt Hij onder. Heiligen zijn volgens mij mensen die God vaker gelukkig dan verdrietig hebben gemaakt, die Hem meer plezier dan verdriet gedaan hebben. Een te eenvoudige definitie? Ach, eigenlijk zijn we allemaal tot heiligheid geroepen. Die mogelijkheid zit in ieder van ons; heilig, heel makend zijn voor elkaar. Maar kiezen we daar voor of niet?


homilie
overweging

 

Op zondagochtend, 20 oktober, was ik op het plein van de Sint Pieter in Rome. De paus verklaarde daar enkele mensen zalig, waaronder twee jongens uit Oeganda. Deze jongens, van 12 en 16 jaar, hadden zich ingezet voor de verspreiding van het christelijk geloof onder hun leeftijdsgenootjes en waren daarom vermoord.
Zalig verklaren. Als mensen heilig of zalig worden verklaard, bevestigt de Kerk dat deze mensen op een heldhaftige wijze deugden hebben beoefend en dat ze hebben geleefd in trouw aan Gods genade. Zo staat het in de Katechismus van de Katholieke Kerk. 
Bij deze twee jongens uit Oeganda is dat wel duidelijk. Want hoewel ze met de dood bedreigd werden, hielden ze niet op om Christus te verkondigen aan andere kinderen. Ze namen het gevaar vermoord te worden op de koop toe. Heldhaftig in hun deugden en trouw aan Gods genade. 
Jezus deed ook een soort zaligverklaring in het evangelie. Zalig de armen van geest, zalig de treurenden, zalig die vervolgd worden. Maar het lijkt hier om iets heel anders te gaan. Immers, als de paus mensen zalig verklaart, gaat het om mensen die al lang overleden zijn. Terwijl Jezus het heeft over levenden. 
Toch is er ook een grote overeenkomst. Want zowel de mensen die door de paus heilig of zalig zijn verklaard, als de mensen uit de zaligsprekingen, zijn in verbondenheid met God. 
Die heilig verklaard zijn, zijn verbonden met God, omdat de dood hun trouw aan Hem niet kon verbreken. En de mensen van de zaligsprekingen zijn verbonden met God omdat zij voor Hem openstaan. 
De treurenden verwachten troost van God. Wie zoeken naar gerechtigheid verwachten die bij God te vinden. De vredestichters geven ruimte aan Gods Geest, net als de barmhartigen. 
En dat brengt ons bij de kern waarom het gaat bij zaligen of bij heiligen. Zij leven in verbondenheid met de Heer. De apostel Paulus noemt christenen 'heiligen'. Want wij leven in verbondenheid met God. Tenminste, daartoe zijn wij wel gedoopt. Om met vallen en opstaan met God op weg te gaan en Hem niet meer los te laten. 
Een pater zei eens tegen me: "Je moet niet heilig worden, je moet heilig blijven." En daar zit wel wat in. Want wij zijn al met God verbonden. En het is zaak ervoor zorgen dat wij onszelf niet van Hem scheiden. 
Daarin mogen wij elkaar steunen. Maar wij mogen ook het gebed verwachten van allen die ons in verbondenheid met de Heer zijn voorgegaan. En niet alleen degenen die officieel heilig zijn verklaard. We kennen waarschijnlijk allemaal wel mensen die in groot geloof en godsvertrouwen hebben geleefd. Mensen die hebben geleefd als vredestichters, als barmhartige en zachtmoedige mensen. 
Wij mogen ons met hen verbonden voelen, en hun gebed vragen voor onszelf en voor allen die ons dierbaar zijn.


homilie
overweging

 

FATALE GRENS

Het is alweer wat jaartjes geleden. Ik werd opgebeld. Het was nacht, een uur of vier. Ergens in Heerlen zat een oude man te waken bij zijn stervende vrouw. Hij wist niet of ze dood was. ‘Of ik langs kon komen.’ De sfeer van de nachtelijke stad was deprimerend. Schaarse lantaarnpalen wierpen ongezellig oranje licht voor niemand. In de verte startte een enkele auto. De oude man deed me zenuwachtig open en troonde me mee naar een schemerachtige kamer. Daar lag zijn vrouw, al meer dan vijftig jaar zijn lief, geveld. Ze leek dood. De man had vroeg in de avond de huisarts geroepen, en uren later nog eens. De laatste keer had die gezegd dat hij maar weer moest bellen als ze dood was. Maar hij wist niet of ze dood was. Of ík dat kon zien. Hij voelde haar voorhoofd en haar pols, aaide zacht over haar keel en luisterde gespannen bij haar mond. Ik heb daar ook niet voor gestudeerd. ‘Zullen we eerst samen bidden?’ Dat deden we. Toen belde ik de dokter.

SCHIJNDOOD

De grens tussen leven en dood is soms moeilijk te trekken.
Dood is een lichaam dat niet meer in staat is om een persoon te dragen in de tijd, en daar ook nooit meer toe in staat zal zijn. Daar ongeveer trekken wij de grens. De grens is onverbiddelijk. Wie we daar hebben uitgezwaaid komt nooit weer.
De vaststelling van de grens tussen leven en dood was in de achttiende eeuw bijna een obsessie. De mening had postgevat dat stank de oorzaak van besmetting was. Men ging de doden steeds sneller begraven. Soms al als ze nog in coma waren. Daardoor ontstonden allerlei gruwelverhalen over schijndood. 
Tijdens de Verlichting was het geloof in de hel op zijn retour. Angst voor schijndood kwam daarvoor in de plaats.
Allerlei ingenieuze kisten werden bedacht en speciale huizen gebouwd waarin de dode vóór de begrafenis enkele dagen op een bank kon rusten, voorzien van allerlei alarmbellen.
Napoleon bepaalde dat pas na 24 uur begraven mocht worden. Dat werd later tot 36 uur uitgebreid. Pas rond 1850, toen de dokter met een stethoscoop de hartslag kon horen, verdween de angst.

GRENS TUSSEN LEVEN EN DOOD (2)

Die alom gevreesde en bevochte grens tussen leven en dood, die trekt Jezus heel ergens anders.
Niet pas als de tijd voorbij is kom je dood en eeuwigheid tegen. Die grens is er eerder en vaker.

Het leven, zegt Jezus, is wat voortkomt uit God. Dus gerechtigheid is eeuwig leven. Als je de rechten van een ander respecteert; als je armen tot hun recht laat komen, als je rechtvaardig bent, als je vecht voor een eerlijke wereld, dan heb je deel aan het leven. Dan sta je aan de kant van het licht, aan de kant van de hemel. Als je vrede zoekt, als je zachtmoedig bent, als je een offer kunt brengen, dan bevind je je in het land van de levenden. Gelukkig zul je zijn!

Maar als je anderen het brood uit de mond steelt, als je je verrijkt ten koste van de kinderen op deze aarde, als je onbarmhartig bent en niet kunt vergeven, als je anderen geen nieuw begin gunt, als je jezelf niet vergeeft, dan dwaal je door het land van de dood; dan ga je een weg zonder toekomst die eindigt in duisternis.

Mensen die voor het leven kiezen, voor het licht, die bestaan in God. Hun weg loopt niet dood. Hun land is onbegrensd. Zij zullen niet verloren zijn als hun tijd eindigt. Ze bestaan immers uit eeuwigheid, uit goddelijk leven. Dus maak je geen zorgen hoe je een dag langer kunt bestaan. Maak je liever zorgen of je woont in het land van de liefde, of je vrede brengt, of je mededogen bezit. Dan zul je gelukkig zijn.

Zo mogen we ons verbonden voelen met onze lieve doden, omdat we samen wandelen in het land van de gerechtigheid. We bestaan samen in de liefde van God in een tijdloze ruimte.

ZEVEN LEVENS

Lieve kinderen. Patrice zat met een rode kop en een bak vol chips achter de computer. Met driftige vinger-bewegingen op het toetsenbord liet ze een mannetje huppelen door lange donkere gangen van een doolhof. Af en toe sprong er een blaffende hond te voorschijn of verscheen er een krijsend spook. Ai! Daar was er weer een. Patrice reageerde te laat. Het monster beet. Patrice viel. Ik keek vragend naar de echte Patrice. Die haalde haar schoudertjes op: ‘Ik heb nog vier levens’ zei ze luchtig. Enkele seconden later rende ze weer gespannen door de gevaarlijke gang. Patrice was zo druk bezig dat ze de bel niet had gehoord. Even later stond Michelle bij de deur. ‘Ga je mee spelen?’ vroeg ze met een lief stemmetje. Patrice wierp een snelle blik weg van het scherm. Ze aarzelde. Ze had duidelijk meer zin om in de monitor te blijven rondrennen dan met Michelle te gaan rolschaatsen. ‘Ik heb nog vier levens’, riep ze naar haar vriendinnetje. Maar Michelle was een slimme meid. Die zei: ‘Je hebt maar één leven. Dus ik zou maar gauw meekomen, anders heb je geen vriendinnetje meer.’ Patrice schrok. Daar had een groen monster op gewacht, die sloeg haar met zijn klauw neer. Patrice save-de haar drie overgebleven levens en koos voor Michelle. Even later huppelde ze samen hun ene leven van vriendschap en buitenlucht in.
Lieve kinderen, we hebben maar één leven. Eén leven vol vriendschap en liefde. Eén leven van God en voor God.

1999

VANWEGE DE HELIGHEID VAN HET BESTAAN...

ALS IK IETS BEN...

Een journalist vroeg aan de burgemeester van Groningen of hij katholiek was. Dit naar aanleiding van commotie rond de bisschopswijding aldaar. Wallinga citeerde toen Anton van Duinkerken. "Áls ik iets ben, ben ik katholiek!" Met andere woorden, het katholiek-zijn zit zo in je bloed dat het er nooit helemaal uit gaat.
Een oude schoolvriend van me moest het meemaken, verleden jaar, dat zijn dochter stierf. Zij was pas afgestudeerd en stond voor een stralende toekomst, zo leek het. Ze werd ziek. Het zag er aanvankelijk nogal onschuldig uit. Ruim een half jaar bleef ze sukkelen. Ineens werd haar toestand snel slechter. Tot ieders verbijstering stierf ze. Het afscheid vond plaats in een stampvolle kerk. Een mooi vroeg gotisch gebouw. Sober maar vol sfeer. De ouders zijn niet religieus. Dus bestond de viering uit een reeks toespraken en mooie muziek.
Het viel me op dat bij dit afscheid precies dezelfde gevoelens werden vertolkt als in een kerkdienst. Sommige sprekers zeiden dat ze dankbaar waren omdat ze deze jonge vrouw hadden gekend. Andere zeiden dat ze boos waren en dat ze het onrechtvaardig vonden. Weer anderen zeiden dat ze het niet begrepen en dat ze de zin ervan niet zagen. Of ze vroegen zich af waarom ze zo waren gestraft. Allemaal echte gevoelens, die een soort adres veronderstellen, iemand op de achtergrond die op onze lotgevallen kan worden aangsproken, een naam die echter ongenoemd en naamloos bleef. Op wie ben je dan boos nu deze lieve mens dood is? Wie ben je dankbaar om wie ze was? Waarom mis je de zin ervan; veronderstel je een zin van dit bestaan? Door wie voel je je gestraft?
Dit onbenoemd blijven van de aangesprokene van deze diepe gevoelens had iets indrukwekkends. Wij zeggen vaak te gemakkelijk het woordje "God". Hier werd het vermeden, maar er waren exact dezelfde vragen, dezelfde angsten en er was dezelfde moed. Het woord God is soms besmet door mensen die er zich van hebben meester gemaakt om ermee over anderen te heersen, om anderen ermee klein houden. Of het is door het vele gebruik versleten.

HET GEHEIM ACHTER ALLES

Waar gaat het eigenlijk om? Het gaat erom dat je het leven ervaart of ervaren hebt als iets heiligs, iets oneindig kostbaars, iets ontroerends mooi. Het gaat erom dat je het leven niet wilt beschrijven als een "gelukkig ongeluk". Het is geen vergissing van de evolutie. Het is geen toeval. Natuurlijk, je kunt modellen ontwerpen waarin de wording van het leven zo beschreven wordt. Maar dat neemt je verwondering en je achting niet weg. Het leven is juist in lieve mensen zo wonderlijk heilig, zo ontroerend mooi, zo onzegbaar diep. En als je dat gevoel wilt uitdrukken dan ga je zingen en dichten. Dan spreek over een geheim achter de werkelijkheid en je stamelt "God". Je hoopt dat dit geheim iets te maken heeft met alles wat je zo ontroert, met de liefde, met barmhartigheid en met vergeving. Dan maakt het weinig uit of je Zijn naam noemt of -zoals ook de joden deden- Zijn naam niet noemt. Het gaat erom dat je de heiligheid van het leven aanvoelt.

NIET TOEVALLIG

Dat is Allerheiligen. We vieren niet alleen die bijzondere mensen in wie we de heiligheid van het bestaan hebben gevoeld. Antonius, Franciscus, pater Pio. Zeker ook overleden ouders of kinderen, of een overleden levenspartner. Maar we vieren de heiligheid van het leven zelf. Het is niet gewoon, het is niet toevallig, het is niet nutteloos en zinloos. Het is niet een speeltje. Het is heilig.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat een moeder rouwt om haar doodgeboren kind. Een kindje dat ze nooit in handen heeft gehad maar wel in haar buik; nooit in het oog maar wel in het hart. Het is al een jaar geleden maar het verlamt haar nog steeds.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat een dodelijk zieke mens plotseling alle pijn en zorg vergeet als hij een meisje van vier ziet dat probeert achter een vlinder aan te vliegen.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat twee verliefde tieners drieëntwintig uur per etmaal met elkaar telefoneren om dat ene uur opgewonden met elkaar te bespreken.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan en de liefde dat twee jonge mensen een auto huren die ouder is dan zij zelf zullen worden en ermee naar een oud kasteel rijden en zich daar in speciale kleren, die alleen voor deze dag zijn gemaakt, laten fotograferen. Sommigen komen hun verruktheid om elkaar zelfs in de kerk vertellen.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat ouders om half elf hun zoon en dochter uitzwaaien naar de disco en zonder het te laten merken tot vier uur wakker liggen.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat honderdduizenden Nederlanders elke week voor een andere ziekte met collectebussen langs de deuren uit bedelen gaan.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat een vrouw al vele jaren elke dag haar man bezoekt die door ziekte er geen idee meer van heeft wie zij is of wie hijzelf is; maar soms glimlacht hij als ze hem een kusje geeft.
Het is vanwege de heiligheid van het bestaan dat wij vanmiddag een roos leggen op een graf van lieve mens die nog bestaat voor ons, en die zeker bestaat in Gods ruimte.

SONJA WIL NIET HEILIG ZIJN!

Lieve kinderen. Ik was eens op school. Ik vertelde over heiligen. Dat Franciscus heilig was omdat hij zoveel hield van de mensen en de wolven en de vogels en de zon. En over Elisabeth, een sjieke koningin die altijd brood bracht naar de armen in de stad. Over Don Bosco die de zwerfjongeren in Turijn onderdak bood. Ineens stak Sonja de vinger op. "Kan ik ook heilig worden?" vroeg ze. "Ik denk het wel", zei ik. En toen - jullie weten dat ik graag overdrijf - voegde ik eraan toe: "misschien bèn je al een beetje heilig." Sonja trok een vies gezicht: "Een béétje heilig, bestaat dat ook al?" En toen: "Maar ik wil geen heilige worden!" Ze keek verlegen lachend om zich heen. "Waarom niet?" vroeg ik. "Nou, dan word je toch helemaal van gips!" "En dan zet ík jou bij de kerststal!"

2005

LEVENDEN EN DODEN

SPOOKHUIS

Het gebeurde niet vaak dat ik vroeger te laat thuis durfde te komen. Eén keer herinner ik me nog goed. Op het Raadhuisplein werd de Najaarskermis opgebouwd. Ik was intens geboeid. Door de manier waarop met ruwe blokken hout de vloer voor de botsautootjes waterpas werd gelegd. Door de sterke vrachtwagentjes met hun platte snuit die op de millimeter nauwkeurig grote wagens op hun plek maneuvreerden door met een ijzeren staaf tegen de bumper te duwen. Maar vooral hield ik de wagen in de gaten van waaruit het spookhuis werd opgebouwd. Tot het invallen van het donker wachtte ik op het uitladen van de spoken. Ik wachtte tevergeefs. Thuis gekomen spookte het echter behoorlijk.

DROOGZEMMEN

Kinderen hebben een haat-liefde verhouding met de angst. Een griezelverhaal aan het kampvuur is puur genieten. Pietje-de-dood achter Jan Klaassen is klassiek. Sluipschutters die in een computeravontuur uit een doolhof te voorschijn springen, zorgen nog steeds voor een heerlijke middag. Ook het t.v.-amusement van volwassenen bestaat voor 80% uit griezelen.
Een spel met de doodsangst is een manier om ons voor te bereiden op de grilligheden van het bestaan. Een soort droogzwemmen.

HALLOWEEN

‘Halloween’ betekent ‘heilige avond’, ‘heilige vóór-avond’; dat was de avond voor Allerheiligen, de Keltische oudjaarsavond. Het is een griezelavond waarop gespeeld wordt met de doodsangst, met satans, vleermuizen, uilen, vampiers en alle nachtdieren waarvan men dacht dat ze contact hadden met de doden. Als op 1 november de natuur kaal werd, en het begin van de winter werd gevierd, dan kwam de oude angst op dat de doden hun graven zouden verlaten. Wegwijzers werden onleesbaar gemaakt. Geschenken moesten hen gunstig stemmen, vruchten en bloemen werden op de graven gelegd. Er was van alles te doen op die heilige avond voor 1 november.

OORSPRONG

In Byzantium was het feest ontstaan om alle onbekende martelaren te gedenken. In de zevende eeuw werd het door Rome overgenomen. In het jaar 837 werd het van 17 mei verplaatst naar 1 november, wellicht om daar de Keltische griezelfeesten rond de doden te kerstenen.
De dag bleef met heidense rituelen omgeven. Mensen hechtten daaraan. Emigranten brachten ze mee naar Amerika. In overwegend protestantse streken had men niet zoveel op met heiligen. Daardoor profaniseerde Halloween tot nationale griezeldag.

EEN GEMEENSCHAP...

In de kerk of buiten de kerk: mensen flirten graag een beetje met de dood. Het mag zijn dat Halloween uit Amerika komt overwaaien, maar eeuwen eerder is het vanuit Europa naar Amerika geëxporteerd. Het mag zijn dat de Keltische oorsprong voor veel ongelovigen een plus-punt is, maar eeuwenlang is het een christelijke traditie geweest.
Het is goed om niet al te krampachtig met de dood om te gaan. Het is goed om te griezelen. Het is goed om een lichtje te branden bij de foto van een dierbare of een roos op een graf te leggen. Het is goed om te beseffen dat wij met de levenden, met alle kinderen en kleinkinderen en degenen die uit hen geboren zullen worden, met allen die onze ouders zijn, onze vier grootouders en acht overgrootouders en 16 betovergrootouders en allen daarvoor, dat we samen één mensheid vormen, één gemeenschap.

...VAN HEILIGEN

Een gemeenschap van heiligen, zeggen de eerste christenen. Niet omdat ze zo braaf waren maar omdat ze zo bijzonder waren. Mensen dragen het stempel van God. Ze zijn in staat om over de eigen grenzen heen te blikken, om het belang van anderen te achten, om zichzelf te geven. Daarin zijn we heilig. Een gemeenschap van heiligen.
Dat besef zal ons dankbaar stemmen. Alles wat we bezitten hebben we dankzij alle offers van wie ons zijn voorgegaan. Alles wat we beheren, behoeden wij ter wille van een leefbare wereld voor wie na ons komen. Dat is Allerheiligen: het besef dat we door de eeuwen heen één gemeenschap zijn. Een gemeenschap van God.

NIKS AAN DE HAND

Lieve kinderen. De opa van Tom was dood. Er moest van alles geregeld worden. Tom lummelde wat rond in de kamer.
‘Toe ga nou fijn buiten spelen’, zei mamma, maar dat hielp niet. Hij wilde erbij zijn. Tom had een grote plastic hand. Het was een griezelhand met groene haren erop en lange nagels. De vingers stonden krom. Het was een spookhand. Hij gaf licht in het donker. ‘En doe dat ding weg!’ riep mamma geïrriteerd.
‘Die doe ik in de kist bij opa’, zei Tom. ‘En dan laat ik hem onder de deksel naar buiten komen.’
‘Nou is het genoeg, naar je kamer!’ Mamma keek geschrokken en zei tegen de meneer die de begrafenis kwam regelen: ‘Zo praat ie nooit. Hij is wat in de war.’ Nu werd Tom ineens heel boos.
‘Dat was een idee van opa zelf!’ riep hij tegen zijn moeder. ‘Opa heeft gezegd: als ik dood ben moet je die hand onder de deksel van mijn kist steken, dan maken we er een griezelbegrafenis van.’ Hij begon bijna te huilen. Mamma trok hem op haar schoot en wreef door zijn haren.
‘Weet je wat: leg de hand maar in de kist en doe er een briefje bij voor opa dat het nu geen tijd voor grapjes is.’ Tom was even stil. ‘Eigenlijk wil ik ‘m liever houden. Dan bewaar ik de hand van opa.’
‘Ach Tommie, je bent precies je opa!’ Ze veegde een traan weg.

  RODDELTANTE

‘Meneer pastoor’, begon iemand op hoge toon, ‘ik zal nooit kwaadspreken..., maar die tante van me in Sittard, die heeft toch weer zitten roddelen!’ Het is moeilijk om niet zelf het kwaad te doen dat je zo fel bestrijdt!

ANTONIUS EN HET KWAAD

Deze levenswijsheid werd in de derde eeuw na Christus ontdekt door Antonius. Antonius Abt wordt hij genoemd, om hem van de latere Franciscaan te onderscheiden. Dus niet de Antonius van verloren zaken maar die van het varken. Het varken was de vermomming van de onreine geesten die hem bekoorden. Het maakte hem tot patroon van veefokkers en schilders - vanwege de penselen! Als jongeman ging hij in een grafkelder wonen. Hij wilde ascetisch leven maar werd geplaagd door bandeloze erotische dromen en visioenen van zwelgpartijen. Zo ontdekte Antonius ruim 16 eeuwen voor Freud, dat de demonen uit zijn eigen driften voortkwamen en dat hij ze zelf opriep door ze genadeloos te onderdrukken. Als je met de duivel gaat worstelen word je zelf des duivels. Het kwaad bestrijd je beter door je te keren naar het licht!

HEILIGHEID

Dit is de kern van heiligheid. Heiligen strijden tegen het kwaad in de wereld. Dat is hard nodig. Hebzucht en machtsdrift verstoren elke generatie opnieuw de eerlijke verhouding tussen mensen. Daarom moeten wij blijven strijden tegen het kwaad. Steeds opnieuw moeten we opkomen voor de rechten va dieren, voor het behoud van zeeën en wouden, voor de armen in Afrika en de slachtoffers van oorlog.
Dat bestrijden van het kwaad draagt echter een gevaar in zich: degene die een vijand bevecht loopt een goede kans om de trekken, de tactiek en gedachtegang van de vijand over te nemen. Om het in traditionele termen te zeggen: wie met de Satan gaat vechten, heeft de stap naar hem al gezet en de Satan verheugt zich.

KWAAD MET KWAAD

Ik las dit bij Henri Nouwen (‘De weg naar vrede’, Tielt 2004), een Nederlandse priester die in Amerika veel gepubliceerd heeft over spiritualiteit. De Egyptische monniken die in de eerste eeuwen de woestijn opzochten om de strijd met het kwaad aan te gaan, moesten niet met de Satan vechten, want dan zouden ze zelf satanische trekken overnemen. Ze moesten, integendeel, de blik de andere kant op richten naar het licht. Alleen met het Rijk van God in het hart was de strijd te winnen. Daarom moet je de vrede niet bevèchten, maar erom bidden. Je moet Gods rijk van vrede toelaten in je hart.
Een voorbeeld. Kijk eens naar wat er met de Joden in Europa is gebeurd sinds - pakweg - 1800. Je begrijpt dan al te goed, hoezeer Joden uit de hele wereld kost wat kost een eigen staat wilden stichten. Ze zochten een plek waar ze mochten leven. Voor die pek hebben ze immense offers gebracht. Met geweld werden Palestijnse dorpen vernietigd en tallozen van hun grond verjaagd. In kampen en afgelegen dorpen groeiden jongeren op in troosteloze omstandigheden, zonder enige hoop en tenslotte bereid tot zelfmoordaanslagen. Er ontstonden fanatieke groepen opstandelingen en het geweld mondde tenslotte uit in de grote rampen in New York en Madrid. Het antwoord daarop was een oorlog tegen het terrorisme. De hele geschiedenis is een gevecht om recht en tegelijk een keten van geweld. Iedereen die het onrecht wil keren komt in de verleiding om dezelfde fouten te maken als degenen die hij bestrijdt. Het kwaad groeit.

ZALIG...

Als ik een kwaad woord zeg over iemand die kwaadgesproken heeft, dan schaar ik mij onder de kwaadsprekers. Als ik geweld gebruik tegen geweldplegers, dan schaar ik mij onder de gewelddadigen. Wie het kwaad in de wereld echt te lijf wil gaan, die moet zijn blik wenden naar het licht. Die moet in zijn hart het Rijk van God koesteren. Hij zal proberen zelf zonder wrok te leven, als een kind van vrede. Barmhartigheid straalt uit zijn ogen laten stalen. Zachtmoedigheid draagt hij in zijn handen. Hij en zij lijken op God, die het laat regenen over goede en slechte mensen!

KAMP

Lieve kinderen. Patrick was een week op kamp geweest. Overdag had hij met de andere jongens gevoetbald, gerend en gevochten; met de meisjes had hij speurtocht gelopen, gekookt en afgewassen en ‘s nacht zou hij hebben geslapen. Op het zaaltje stonden stapelbedden. Zestien matrassen waren er. De tweede nacht had de leider de jongens hard toegesproken. Het moest maar eens uit zijn met alle flauwe kul. Er moest geslapen worden! Wie hij op de gang van de meisjeszaal zou betrappen, werd onmiddellijk naar huis gestuurd en na twaalf uur moest het doodstil zijn! ‘Gesnopen?’ Het licht ging uit en er viel een doodse stilte die wel vier minuten duurde. Toen drong een geluid van een miauwende kat door tot in de slaapzaal. Corné deed daarop het geluid van een muisje na vanonder zijn laken: ‘piep! ‘Stil’ siste Patrick. ‘Ben zelf stil’, zei Corné. ‘Ik ben stil’, zei Patrick wat harder. ‘Dat hoor ik!’, riep Corné. ‘Jongens...!’, klonk het in de hoek. Dat was Hugo. ‘Wat, jongens? Ik doe niets!’ ‘Ja ik soms?’ ‘Stil nou!’ Binnen de kortste keren was het een gekakel totdat de deur met een ruk openging. ‘Nu is het uit!’ riep de kampleider. ‘Patrick kom uit je bed. Ik zei niets’ protesteerde Patrick. ‘Jij riep Stil. Ik heb staan luisteren.’ ‘Ja maar Corné zei piep.’ De hele zaal begon te lachen.
Als je wilt dat de anderen stil zijn, dan moet je niet gaan roepen maar zelf je mond houden. De leider nam Patrick en zijn matras mee naar de kamer naast die van de leiders. Patrick deed de hele nacht geen oog dicht. Het was me op die leiderskamer toch een spektakel!


homilie
overweging

 

"Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen."
Zusters en broeders, het is een van de best gekende uitspraken uit het evangelie, in elk geval het eerste deel ervan. Want 'een arme van geest', dat zeggen we van iemand die er niet helemaal bij is, iemand die net iets te naïef is om niet voortdurend gerold te worden, iemand die ge toch niet helemaal alleen door het leven kunt laten gaan, precies omdat hij arm van geest is. Echt positief bedoelen we het niet, maar het merkwaardige is dat we het alleen zeggen van iemand met een goed hart, iemand die nog geen vlieg kwaad zou doen. We zeggen dat niet van een ambetanterik of van iemand met een moeilijk karakter, zo iemand voor wie ge altijd op uw hoede moet zijn. Nee, alleen goede mensen noemen we soms arm van geest, en dat is, tegen de achtergrond van de uitspraak van Jezus, heel juist gezien.
Want dat is wat Jezus met ‘arm van geest’ bedoelt. Geen sukkelaar, maar iemand die echt leeft naar Gods woord. Arm van geest is dus de mens die aanvaardt dat het leven niet altijd rozengeur en maneschijn is, en die God en zijn naaste niet vervloekt bij een tegenslag. Arm van geest is hij die weigert mee te roddelen als iedereen kwaad spreekt, die over andere mensen alleen maar goede dingen vertelt en de minder goede dingen voor zich houdt en vergeet. Arm van geest is hij die alleen neemt wat van hem is, die teruggeeft wat hij te veel heeft gekregen, die niet elke klus in het zwart laat uitvoeren en zelfs zijn belastingen eerlijk betaalt. Arm van geest is hij die mensen ongevraagd en onbetaald helpt, zomaar, omdat het goed is te helpen. Arm van geest is hij die een ruzie probeert te bedaren, die boodschappen doet voor zijn oude of zieke buur, die voor Welzijnszorg en Broederlijk delen extra diep in de portemonnee gaat en tussendoor geregeld een overschrijving doet, want er is zoveel armoede, en wij hebben zoveel overschot. Arm van geest is hij die er niet op uit is anderen erin te luizen of iets betaald te zetten. Arm van geest is hij die weigert mee te doen aan de wedloop naar altijd maar meer, die zijn relatie en zijn gezin niet verwaarloost voor zijn carrière, die weigert zijn ellebogen te gebruiken als het op promotie aankomt. Arm van geest, meisjes en jongens, zijn zij die hun kameraden helpen als ze in de problemen zitten, die niet lachen om het ongeluk of de pijn van een klasgenoot, die geen ruzie stoken, die niet spieken bij de toetsen en niet vals zijn als ze spelen of sporten. Arm van geest, zusters en broeders, zijn zij die blijven geloven dat het kwade kan worden bestreden, en zijn ook zij die liever te laat komen dan dat ze met hun auto het leven van anderen in gevaar zouden brengen. Arm van geest zijn zij die kunnen troosten, die niet profiteren van de zachtmoedigheid van anderen, die altijd rechtvaardig en oprecht zijn, die kunnen vergeven, die vrede brengen waar onvrede heerst, die trouw zijn aan een gegeven woord, ook al is dat soms heel moeilijk. Arm van geest zijn de slecht betaalde straathoekwerkers die blijven geloven in de toekomst van verlaten jongeren, ontslagen gevangenen, prostituees en drugsverslaafden. Arm van geest zijn zij, bij wie andere mensen zich goed voelen, gewoon omdat ze goedheid en veiligheid en trouw en vrede en geloof uitstralen. Arm van geest zijn de tegendraadsen, zij die tegen de stroom van geld en bezit en macht en oppervlakkigheid en leugen en valse schijn oproeien. En ook arm van geest zijn wij, zusters en broeders, wij die hier in Gods naam blijven samenkomen, om naar zijn woord te luisteren en naar zijn woord te leven.
En zo is de cirkel rond: zalig de armen van geest, want zij belichamen de zeven andere zaligsprekingen. Aan hen behoort het Rijk der hemelen omdat ze troosten, zachtmoedig en rechtvaardig, barmhartig en zuiver van hart zijn, en vrede brengen, en omdat ze daarin blijven volharden, ook al gaat iedereen, ook al gaat de hele wereld een andere weg. Arm van geest zijn is worden zoals Jezus, het toonbeeld van de arme van geest. Nooit betaalde hij kwaad met kwaad. Bij Hem alleen maar zachtmoedigheid, barmhartigheid, hulpvaardigheid. En Hij bleef daarin volharden, heel tegendraads, tegen macht en gezag in, totterdood.
Zusters en broeders, ik weet niet of ge het beseft, maar in het evangelie van vandaag horen we de grondwet van ons christenzijn, en artikel één uit de grondwet luidt: Wees arm van geest, in al wat ge doet en denkt. En als we zijn, ‘arm van geest‘, dan worden we deel van de grote menigte in witte gewaden die staan voor de troon van God, zoals Johannes in zijn visioen schrijft. Dan ook worden we terecht kinderen van God genoemd, zoals diezelfde Johannes in zijn brief aan zijn parochianen schrijft.
Kinderen van God, zusters en broeders. Met zo'n Vader in de rug ben ik graag een arme van geest. Amen. 

2004

Een van de bekendste gedichten van de Vlaamse dichter Paul Snoek is een ode aan het zwemmen, en het eindigt met de woorden: “Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.”

“Een beetje bijna heilig zijn” ik vind dat ongelooflijk mooi geformuleerd, en het zou de leefregel en ook het doel van elke christen kunnen zijn: een beetje bijna heilig zijn.

Ik weet het, heilig is zo’n woord dat je niet snel gebruikt, zeker niet als het gaat om levende mensen, en nog minder al het om jezelf gaat. Wie zegt nu van zichzelf dat hij of zij heilig is, al is het nog maar een heel klein beetje. Want heilig zijn, dat is weggelegd voor vrome krachtpatsers uit het verleden, mensen die hun heiligheid als het ware met de moedermelk hebben ingezogen. Of niet soms?

Zusters en broeders, je kent wellicht het verhaal van die pastoor die aan de kinderen van de catechese vroeg wat heiligen waren. Een van de kinderen keek toevallig naar de glasramen die met heiligen beschilderd waren, en waar als bij toeval juist op dat moment de zon op viel. En het kind zei zonder verder na te denken: “Heiligen zijn mensen die licht doorlaten.” De andere kinderen lachten, de pastoor volgde de blik van het kind en begreep waar de uitleg vandaan kwam. En tegelijk begreep hij dat dat kind het perfect verwoord had: “Heiligen zijn mensen die licht doorlaten.” Het licht van Gods liefde, het licht van vrede, van broederlijkheid en gerechtigheid. Dat licht van God geven zeb door in hun manier van leven, in hun gewone dagdagelijkse bestaan.

“Hoe doe je dat, heilig worden?” vroeg er eens een vrouw aan Sint-Franciscus. En die antwoordde: “Probeer de deuren zacht te sluiten.” Geen godsdienstige krachtpatserij dus, geen religieus fanatisme. Alleen maar de deuren zacht sluiten. Het lijkt misschien een gek antwoord, maar als we even nadenken, weten we dat we een deur ook kunnen dichtslaan achter ons, zelfs definitief. En dan begrijpen we meteen ook dat mensen die de deuren zacht sluiten, mensen zijn die vrede stichten. “Zalig die vrede brengen”, zegt Jezus over hen, “want zij zullen kinderen van God genoemd worden. En mensen die de deuren zacht sluiten, zijn ook mensen die anderen niet willen kwetsen. “Zalig de zachtmoedigen”, zegt Jezus over hen, “want zij zullen het land bezitten.” En het zijn ook mensen die anderen niet lastig vallen met hun dwingende vragen om meer en nóg meer, ook als dat ten koste van anderen moet gaan die minder met de ellebogen werken: “Zalig de armen van geest”, zegt Jezus, “want aan hen behoort het Rijk der hemelen.” En ook: “Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.” En mensen die de deuren zacht sluiten, zijn ook mensen die anderen ontzien, en die in iedere mens een medemens zien. “Zalig de barmhartigen”, zegt Jezus over hen, “want zij zullen barmhartigheid ondervinden.” En het zijn ook mensen die geen bijgedachten koesteren, die eerlijk zijn in handel en wandel. “Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien”, zegt Jezus over hen.

Zusters en broeders, de zaligsprekingen zijn de grondwet van ons geloof. Ze vormen de hoeksteen van ons christen zijn. Ze dwingen ons helemaal niet tot religieuze heldendaden, tot maandenlang vasten en ons alles ontzeggen wat ons leven aangenaam kan maken. Integendeel, ze geven ons een leefregel die ons leven juist wél aangenaam maakt, omdat we, vanuit ons geloof, in vrede leven met onszelf en met anderen. Een vrede die ons thuisbrengt in ‘die grote menigte in witte gewaden die staat voor de troon en voor het Lam’, waarvan sprake is in de eerste lezing. Een vrede die ons maakt ‘tot kinderen van God’, zoals Johannes in de tweede lezing zegt.

Een zalige vrede die ons inderdaad een beetje bijna heilig maakt. Amen.

2005

"Fortuin, dat was bij hen allen bijna gedistingeerd het niet hebben en dan te leven of ze het wél hadden. Positie, dat was waar zij naar streefden, en wie er niet naar streefde, werd veroordeeld om zijn zwakte. Geloof, dat was bij de anderen, de kennissen, soms als een fatsoenlijkheid of een partijbelang, maar in hun kring werd dat zacht en kalm genegeerd, werd er nooit over gedacht en gesproken, en werden de kinderen tussendoor snel even gedoopt en gevormd, net of ze dansles kregen of muziekles. Geboorte, afkomst, dat was alles.”

Zusters en broeders, je hoorde een klein fragmentje uit de zeer lijvige roman De boeken der kleine zielen die de Nederlandse schrijver Louis Couperus tussen 1901 en 1903 publiceerde. Hij schetst daarin het doen en denken van de betere Haagse kringen van die tijd: afkomst, positie en fortuin, dat was het enige wat telde. Geloof was een tussendoortje, een onbelangrijk nummertje dat geen enkele verplichting inhield en dat ook niets opbracht

Die woorden van Couperus zijn meer dan honderd jaar oud, maar ze lijken vandaag onze hele maatschappij te beschrijven. We lijken met zijn allen vastgespijkerd te zitten in de logica van het geld, het werk, het verdienen en het bijverdienen, net of we puur economische wezens zijn. Het gaat altijd om cijfers: hoeveel kost de gezondheid van de mensen, hoeveel kost de opvang van de gehandicapten, hoeveel duurder is plaatsing in een rusthuis dan verzorging thuis, hoeveel kosten ongevallen en arbeidsongevallen en ga zo maar door. Altijd: hoeveel kost dat, en hoeveel brengt dat op. Dat er achter al die cijfers en al die berekeningen mensen schuilgaan met hun lief en hun leed: gezonde mensen maar ook zieke mensen, jonge maar ook oude mensen, rijke maar ook arme mensen, dat lijkt niemand te deren. Of nog erger: dat lijkt niemand nog te beseffen.

Zusters en broeders, Allerheiligen en Allerzielen vieren brengen ons even terug tot onszelf. Heel even staan we stil bij wat ons echt bezighoudt, bij onze pijn om verlies, bij ons verdriet, onze emoties. Heel even zijn we meer dan cijfers en geld. Heel even zijn we wat we echt zijn: mens onder de mensen. Met onze dromen, onze verlangens, onze pijn, onze vreugde. Heel even beseffen we dat we onderweg zijn, dat ons verblijf hier alleen maar een doortocht is, en dat we alleen maar blad zijn dat door de wind wordt bewogen. Niets meer. Vanuit dat besef zijn we hier bijeen om onze lieve doden te gedenken, zij die hun eindbestemming bereikt hebben, de heiligen die ons zijn voorgegaan. Niet langer onderweg zoals wij, maar thuisgekomen bij God.

Wij zijn nog niet aangekomen, wij zijn nog onderweg, en in het evangelie reikt Jezus ons een paar heerlijke wegwijzers aan. Wegwijzers ver af van de cijfermatige mens, maar middenin het hart van de echte mens, de mens met gevoelens, de mens onder de mensen. Zalig zijn wij die Jezus’ wegwijzers mogen en willen volgen. Zij zullen ons bevrijden uit de grote verdrukking, en zachtmoedigheid, troost, gerechtigheid en vrede zullen ons deel worden.

Zusters en broeders, in zijn Zaligsprekingen zegt Jezus dat de armen naar geest het Rijk der hemelen zullen bezitten. Welnu, laten we dat proberen zijn: arm naar geest. Dat betekent niet dat we als sukkelaars door het leven moeten gaan, wel dat we mensen willen zijn die niet de cijfers, maar wel de mens achter de cijfers belangrijk vinden. En die mens, dat zijn wijzelf en alle andere mensen om ons heen en in deze wereld. En dat zijn ook de heiligen ons voorgegaan die we hier vandaag willen gedenken. Als we straks naar het kerkhof gaan, is dat niet om de cijfers, wel omdat we dicht bij hen willen zijn die ons lief zijn en blijven. Onze eigen heiligen die ons zijn voorgegaan, mens onder de mensen. Amen.

  Ik was een broekvent van een jaar of acht-negen, en ik zat in het tweede of derde leerjaar van de gemeentelijke basisschool in mijn geboortedorp. En zoals elke maand, bracht een van de onderpastoors een bezoekje aan elke klas, om eens te peilen naar de stand van onze godsdienstige kennis. Precies die week was er een kindje gestorven, nog bijna een boreling. De onderpastoor haakte daarop in, troostte ons dat dit kindje nu in de hemel was, en vroeg ten slotte met een geheimzinnige glimlach wat dat kindje nu was daar in de hemel: een engeltje of een heilige. We vonden dat met zijn allen een gekke vraag, een weggevertje eigenlijk, want wie kon daar nu aan twijfelen. Toen duidde de onderpastoor een van ons aan om te antwoorden. Het was niet direct de knapste van de klas, maar dit keer kon hij zich niet vergissen. Tot onze verbazing aarzelde hij, en toen kwam het er stotterend uit: ‘Een heilige’. Algemene hilariteit. Hoe kon hij nu zo dom zijn! Toen de rust teruggekeerd was, zei de onderpastoor: ‘Je bent er precies niet echt zeker van, maar je hebt wel gelijk: dat kindje is nu een heilige.’ Eerst dachten we dat hij onze klasgenoot een beetje wou jennen, maar nee, hij meende het: dat kindje was nu een heilige. Verstomming, bijna verontwaardiging alom. Hoe kon zo’n klein kind een heilige zijn! Heiligen, dat waren toch grote mensen die om hun geloof doodgemarteld waren of die in elk geval heel heilig geleefd hadden. Geduldig legde de onderpastoor ons uit dat alle mensen in de hemel heiligen waren, en dat geen mens, ook geen pasgeboren baby, ooit een engel kon worden. Met de catechismus in de hand toonde hij ons aan dat engelen zuivere geesten waren, terwijl mensen bestonden uit een onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam. Engelen waren engelen en mensen waren mensen. En dat bleven ze ook in de hemel.

Dat begrepen we dan wel, maar dat zo’n kind een heilige kon zijn, en dat alle mensen heiligen waren in de hemel, dat lag een stuk moeilijker. En het werd helemaal moeilijk toen de onderpastoor eraan toevoegde dat we niet moesten wachten tot de dood waren om heilig te worden. We konden er best meteen aan beginnen. Ik herinner me niet hoe hij dat toen uitgelegd heeft. Wat ik me wel herinner, is dat ik er geen jota van begreep. Hoe kon je nu heilig zijn zonder eerst dood te gaan!

Zusters en broeders, vandaag, op dit feest van Allerheiligen, van alle heiligen, levende zowel als gestorvene, krijgen we het antwoord op die vraag. Om heilig te zijn moet je helemaal niet sterven voor je geloof, moet je helemaal niet doodgemarteld worden en moet je zelfs niet uitgesproken ‘heilig’ leven. En dood hoef je ook niet te zijn. Je moet alleen maar leven volgens het eerste en enige gebod dat Jezus formuleert als antwoord op een vraag van een schriftgeleerde: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is: Gij zult uw naaste beminnen gelijk uzelf. Er is geen voornamer gebod dan deze twee.”

Beminnen, liefde is dus het kernwoord van die twee geboden, die onverbrekelijk met elkaar samenhangen. Want wie zijn naaste niet bemint, kan ook niet van God houden. En liefde is het kernwoord, omdat God zelf liefde is, en omdat we ‘nu reeds kinderen van God zijn’, zoals Johannes in de tweede lezing zegt. Hoe we in de praktijk van alledag kunnen liefhebben, horen we in het evangelie: de beroemde zaligsprekingen, de grondwet van ons christenzijn, de vertaling van het eerste en het enige gebod, en een perfecte leidraad voor wie de goede weg, de weg van Jezus dus, wil bewandelen. ‘Je bent op de goede weg’, zegt Jezus, als je arm naar geest bent, als je nederig bent, als je jezelf niet boven je naaste en boven God stelt. En je bent op de goede weg als je met anderen kunt meetreuren en meevoelen, als je je medemens met zachtmoedigheid en begrip benadert, als je troost brengt voor wie verdriet heeft en als je zelf niemand anders verdriet aandoet. En je bent op weg naar heiligheid wanneer je hunkert naar gerechtigheid en je je daar ook voor inzet, als je barmhartig bent zonder daarbij aan enig voordeel te denken. En je bent op weg naar heiligheid wanneer je zuiver van hart bent, wanneer je eerlijk bent tegenover God en tegenover je medemens. En je bent op weg naar heiligheid wanneer je vrede sticht in jezelf, in je gezin, in je omgeving; wanneer je vrede brengt in het hart van hen die vol onrust zijn, wanneer je vrede sticht onder hen die in onvrede leven met elkaar. En je bent op weg naar heiligheid wanneer je de spot en de tegenkanting verdraagt die je moet ondergaan omdat je goed bent, omdat je vrede sticht, omdat je gelovig en vroom bent, omdat je meevoelt met het leed van anderen, omdat je je inzet voor gerechtigheid, omdat je eerlijk en barmhartig bent en geen dikke nek en zware ellebogen hebt.

Zusters en broeders, wanneer we zo leven, maken we deel uit van de grote menigte uit de eerste lezing, een menigte “die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen”, en dan staan we voor Gods “troon en voor het Lam, gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand.” Niet omdat we dood zijn, maar omdat we leven zoals God ons heeft geschapen: naar zijn beeld en gelijkenis, met als leidraad zijn enige gebod: dat van de liefde die Hijzelf is. Amen.

2008

In de eerste lezing hoorden we een fragment uit het boek Openbaring, dat gewoonlijk toegeschreven wordt aan de apostel Johannes. Het zou rond 96 na Christus geschreven zijn, tijdens de regering van de Romeinse keizer Domitianus, onder wiens bewind de christenen in Klein-Azië vreselijk vervolgd werden. Het boek zinspeelt trouwens op die vervolgingen, en misschien hangt de duistere symboliek ervan er ook direct mee samen: de auteur drukt zich uit in een soort geheimtaal die alleen voor ingewijden, dus niet voor de Romeinse christenvervolgers te begrijpen is. Dat het boek verre van gemakkelijk is, heb je gemerkt tijdens de lezing: er is sprake van engelen en zegels en de vier dieren, van honderdvierenveertig duizend getekenden uit de twaalf stammen van Israël, en verder ook van ‘een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Ze komen uit de grote verdrukking, en ze hebben hun gewaden wit gewassen in het bloed van het Lam.’ Wellicht wordt in deze laatste zin verwezen naar de vele duizenden christenen die tijdens de vervolgingen de marteldood stierven. Maar ze werden gered omdat ze trouw waren gebleven. In die zin is het boek Openbaring dus ook een boek van troost en van hoop, waarin Johannes tegen de christenen zegt: Nee, uw lijden en uw dood zijn niet zinloos, en ze betekenen niet het einde. Wat mensen u ook aandoen, God laat u nooit in de steek.

Christenvervolgingen zijn er altijd al geweest en ze zijn er ook nog vandaag. In veel moslimlanden en meer en meer ook in het hindoeland Indië lijken ze zelfs dagelijkse kost. Zo van: ‘Wat zullen we vandaag eens doen? Een kerk in brand steken? Een christelijk dorp platbranden? Hun huizen vernielen en hun vrouwen verkrachten? Hen zodanig bedreigen dat ze vanzelf vertrekken?’ Dikwijls is de reden niets anders dan onverdraagzaamheid. We weten dat de meeste moslimlanden naast de islam geen andere godsdienst dulden. Maar dikwijls worden christenen ook vervolgd omdat ze, behalve kerken, ook scholen, ziekenhuizen, opvangcentra enzovoort bouwen. Omdat ze dus proberen te leven naar Jezus enige gebod: ‘Bemin God bovenal en bemin uw naast gelijk uzelf.’ En dat je je naaste probeert te helpen, daar hebben nogal wat moslims en hindoes het blijkbaar moeilijk mee.

‘Bemin God bovenal en bemin uw naast gelijk uzelf.’ Dat is de kern van Jezus’ boodschap. We hoorden ze in het evangelie van vorige zondag en in het evangelie van vandaag geeft Jezus die liefde als het ware een gezicht. ‘Gelukkig de armen naar geest,’ zegt Hij. Gelukkig dus de mensen die nederig van hart zijn, die zichzelf niet hoger schatten dan hun medemens, die niet altijd gelijk willen hebben, die niet denken dat ze God niet nodig hebben. Gelukkig zijn zij, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Het rijk van liefde, vrede en vreugde. En gelukkig de zachtmoedigen en de barmhartigen, want ze zullen barmhartigheid en goedheid ondervinden. Gelukkig ook zij die naar gerechtigheid en vrede streven, die geen onrecht, haat en vijandschap, maar rechtvaardigheid en verzoening zaaien, want ze zullen kinderen van God genoemd worden omdat ze leven naar zijn droom. Gelukkig ook de zuiveren van hart, zij die geen naijver en geen afgunst kennen, zij die willen mee voelen en mee treuren en mee lachen met hun medemens. Zij die in hun medemens een kind van God zien en hem ook als een kind van God behandelen. Gelukkig zijn zij, want zij zullen God zien in elke mens die ze ontmoeten.

Nederig zijn, zachtmoedig en barmhartig, vredevol en zuiver van hart, gerechtigheid zoeken: het zijn zoveel uitingen van liefde. Liefde voor God en liefde voor onze medemens. In die zin zijn de zaligsprekingen een aansporing om goed te zijn en goed te doen. Maar Jezus zegt ook: ‘Gelukkig zij die treuren, want ze zullen getroost worden. Gelukkig zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen. Gelukkig zijt gij wanneer gij omwille van Mij beschimpt en vervolgd wordt, want groot zal uw loon zijn in de hemel.’ Deze drie zaligsprekingen zijn een sterk teken van bemoediging en hoop, voor ieder van ons en zeker voor vervolgde christenen. Wanneer Johannes in het boek Openbaring de christenen moed inspreekt, doet hij dat dus niet in eigen naam, maar in naam van Jezus. ‘Nee, je staat er niet alleen voor’, zegt Jezus, ‘Ik sta altijd aan je zijde, en Ik zal je dragen in tijden van nood, leed en pijn. En denk erom, de dood is niet het einde, en je pogingen om goed te zijn en goed te doen zijn niet nutteloos, want niemand gaat verloren die denkt en doet zoals Ikzelf heb gedacht en gedaan.’

Zusters en broeders, de zaligsprekingen zijn een sterke aansporing om goed te zijn en goed te doen, maar ze zijn ook een heel mooie en heel sterke belofte, die helemaal past bij dit feest van alle heiligen: God, Jezus laat ons nooit in de steek. Amen.


homilie
overweging

 

Mislukkeling, sukkelaar, zwakkeling, softie,
Dat is de taal die ‘de wereld’ gebruikt. En wij doen daar even goed aan mij. Wij spreken zo over
onszelf, omdat we ons minderwaardig voelen. We reageren ons af tegen anderen door ze uit te
maken. We voelen blijkbaar soms de noodzaak om de ander te vernederen, te verlagen. Het is een
eenvoudig truckje om jezelf beter en hoger dan de ander te vinden: trek de ander onderuit, verlaag
hem.
Mislukkeling, sukkelaar, zwakkeling, softie,
Dat is ook de taal die Jezus gebruikt. Alleen voegt Hij er iets aan toe: zalig de mislukkeling,
gelukkig de softie, wees blij een sukkelaar te zijn, ik prijs de zwakkeling.
Jezus hoeft zich niet af te reageren op ons, Hij heeft het niet nodig om mensen te verlagen, te
kleineren. Want liefde doet zoiets niet. Liefde maakt de ander groot. Je moet maar eens teksten
lezen van verliefden. Ze zwaaien gul de wierook naar de ander toe, ze zien het oneindige wonder in
de ander. Liefde trekt de ander niet onderuit om zichzelf groter te maken. Wanneer je vervult bent
met liefde, heb je dat niet nodig. Er is geen leegte in je die je probeert te verdoezelen door jezelf op
te blazen en de ander weg te blazen.
Mislukkeling, sukkelaar, zwakkeling, softie,
Dat is een eretitel in het Rijk Gods. Zalig de armen, zalig degenen die in de wereld vernederd
worden. Want je hebt God aan je kant. Zie maar naar het kruis: daar hangt God als een
mislukkeling, vals beschuldigd en vermoord, totaal vernederd.
In het rijk van God, in het rijk waar de liefde heerst, daar wordt de mislukkeling op de troon gezet.
Jezus, de gekruisigde, zit aan Gods rechterhand. En dat is ook onze bestemming.
Vandaag danken wij God voor die ontelbare menigte van mensen die op die bestemming zijn
aangekomen. De heiligen die we kennen en de vele mensen die in stilte door God geheiligd
worden. We danken God, want niemand van ons geraakt door eigen inspanningen bij die troon in
de hemel. Alleen maar door Gods liefde. Gods liefde maakt ons groot en heilig. Ook wij mogen er
vertrouwvol op hopen naar onze bestemming geleid te worden, door Gods liefde.
Er is echter één manier om je af te schermen tegen Gods liefde. Er is dus één manier om niet groot
en heilig gemaakt te worden. Eén manier om naast de boot te vallen die ons in Gods heerlijkheid
voert.
Dat is door jezelf op te blazen tot er geen plaats meer is voor Gods liefde. Dat is door een metalen
harnas aan te trekken. Dat doen de bangeriken die anderen vernederen en verlagen om zichzelf
hoger te wanen.
Maar zalig de armen en de softies want zij staan open voor Gods hulp en barmhartigheid.


homilie
overweging 
  Cijfers zeggen niet alles
 
Cijfers zeggen beslist niet alles. Wanneer Johannes spreekt over de 144.000 getekenden, staande voor de Troon en voor het Lam, dat zegt dit getal niet veel. Het is een symbolisch getal, dat men vooral niet letterlijk moet opvatten, dat wil zeggen als een cijfer. 144.000 is 12 x 12 x 1.000, en heeft dus de symbolische betekenis van de volheid van het getal 12 vermenigvuldigd met zichzelf, en wederom vermenigvuldigd met 1.000, getal van de oneindigheid. Het betekent dus dat de menigte die voor de Troon en voor het Lam staat, niet te tellen is. Zoals Johannes in het Boek van de Openbaring vandaag ook zegt: "de menigte die niemand tellen kon, staande voor de Troon". En wanneer berekend wordt dat paus Johannes Paulus II tijdens zijn pontificaat 476 heiligverklaringen en 1.315 zaligverklaringen heeft uitgesproken, dan zeggen deze cijfers ook niet alles. Wat zeggen die cijfers? Ze zeggen eigenlijk alleen maar dat onze paus van mening is dat het aantal zaligen en heiligen wel eens veel groter zou kunnen zijn dan wij in onze stoutste verwachtingen kunnen vermoeden. Was onze kerk in het verleden dan misschien te zuinig met heiligverklaringen?
 
Wie niet zuinig is met zaligverklaringen is Jezus zelf, die in de zaligsprekingen aan armen van geest, aan treurenden, aan zachtmoedigen, aan zuiveren van hart, het rijk der hemelen belooft. "Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien". God zien?
 
Johannes gaat nóg verder, in zijn brief die vandaag als tweede lezing wordt gelezen. "Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard. Maar wij weten dat, wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is". God zien? Aan God gelijk zijn? Dus: God zijn?
 
Beseffen wij wel hoe ver dit gaat? Beseffen wij wel, zoals Johannes in de tweede lezing zegt, "hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft betoond! Wij worden kinderen van God genoemd, en wij zijn het ook!"
    Beseffen wij dan ook hoe groot Gods genade is? En in dit verband gaan onze gedachten, vandaag, nu het feest van Allerheiligen valt op een zaterdag, – bovendien de eerste zaterdag van de maand, in deze kerk speciaal toegewijd aan Maria –, allereerst uit naar de Moeder Gods Maria, zij die bij uitstek, zonder enige verdienste van haar kant, Gods genade heeft mogen ervaren en ontvangen. Beseffen wij wel hoe groot de genade is die God aan Maria heeft geschonken? En juist omdat zij geheiligd is door pure, loutere, gratuite genade, – niet vanwege haar eigen bijzondere verdiensten – wordt zij in de traditie van onze kerk beschouwd als de grootste van alle heiligen. Op ikonen uit de Oosterse traditie staat Maria, tussen de andere heiligen, altijd op de ereplaats in het midden. In onze liturgie wordt zij altijd genoemd als eerste, vóór de apostelen, vóór de martelaren, vóór de belijders en de andere heiligen. Verheven boven de cherubijnen, de serafijnen, de engelen en de aartsengelen, zo bezingen wij Maria als het pure beeld, de zuivere ikoon van Gods genade.
 
Maar, is dan alles genade, en is er geen sprake van verdienste? Johannes moet ons in zijn brief wel degelijk aansporen tot werken van heiliging: "Wie zult een heil van God verwacht, maakt zich rein, zoals Christus rein is". Wij moeten dus wél streven naar heiligheid, er aan werken, heiligheid verdienen. Zoals de martelaren in de oude kerk wel degelijk vanuit hun geloof, hun principiële overtuiging, alles hebben opgegeven en bewust de dood in zijn gegaan. Zoals alle grote heiligen die, heel simpelweg, Jezus hebben gevolgd in Zijn zaligsprekingen. En wel degelijk verdiensten hebben. Zo kunnen heiligen voor ons ook voorbeelden worden.
 
Maar heiligen zijn niet alleen voorbeelden. Door hun eenwording met God zijn ze ook onze voorsprekers. Maria, als de grootste van de heiligen, als de heilige bij uitstek, geldt dan als het grootste voorbeeld, omdat zij van God de grootste genade ontvangen heeft, en ook, omdat zij, als eerste van de heiligen, ook onze grootste voorspreekster mag zijn. In het boek De Idioot van Dostojewski bepleit Maria bij God de Heer om alle gestorvenen die zich in de hel bevinden, uit hun lijden te verlossen en op te nemen in de hemel. God verhoort haar slechts ten dele, want Hij vindt dat sommigen toch voor eeuwig in de hel moeten blijven. Maar Maria overtuigt God uiteindelijk door te zeggen dat er geen barmhartigheid is, zolang er ook maar één schepsel onbarmhartig behandeld wordt.
Dat vragen wij vandaag ook aan Maria, wanneer wij bidden: "Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen".


homilie
overweging 
  De lezing uit het boek der Openbaring brengt ons in een hemelse troonzaal, waar het grote feest van de Voleinding wordt gevierd, de voltooiing van het heil doorlopend gevierd met aanbidding en danken en vreugdekreten. Het is een geweldige ceremonie waarmee het allesomvattende heil wordt gevierd voor de troon van God. Als we ons inleven in die tekst, moge ook dat met ons gebeuren als een voorproef van wat later gebeurt, hier, in een ruimte die ook gericht is op de troonzaal, waar het Lam, de engelen, de oudsten zingen met hen die in witte gewaden erbij gekomen zijn en van het universele het heil genieten.
Er gebeurt heel wat, ook met ons hier, hier in deze ruimte waar we vaak bijeen komen. Misschien zouden we allemaal een visioen mogen krijgen over het uitzicht van ons leven, van al het leven, zoals Johannes dat beschrijft. We kunnen ons laten inspireren door Johannes en zoeken naar een engel die vanuit de opgang van de zon het zegel van de echte God draagt en ons daarmee zal tekenen. Die ons, dienstknechten van God -zo staat het geschreven- zal tekenen met het zegel waarmee God tegen vergeldende machten zegt: "Afblijven ! die zijn van Mij". Wij zoeken hier o.a. -laat me zeggen- een zekere bescherming tegen het kwade, net zo als bij het paasmaal voor de uittocht uit Egypte de Joden de deur van hun woning tekenden met bloed van het Paaslam opdat de verderver voorbij zou gaan: "Afblijven", zegt de Heer, "die zijn van Mij". Wellicht beseffen we dan dat ook wij getekend zijn, dat we het kenmerk, het waarmerk al in ons dragen, nl. het merkteken van Godskind zijn. Dat accepteren we en vieren we bij het doopsel: Jezus zelf zegt dan dat wij Godskind zijn zoals hij is. "Afblijven!", zegt de Heer, "die horen bij hem en zijn dus van Mij". Dan gaat een bescherming tegen het kwaad over in wat de bijbel noemt een gevoel van uitverkiezing, van 'we horen erbij'.
Als je je afvraagt waar dat zegel, dat merk, toe leidt, komt het getal 12 naar voren. In de bijbel duidt dit getal op het bestemd zijn voor het heil: de 12 stammen van Israël zijn bestemd voor het heil van Godswege, het heil dat komen moet, waarvoor de wereld is bedoeld. Jezus zet dat voort in het Nieuwe Verbond en stelt 12 apostelen aan voor het Rijk dat komen moet: wij als Godskinderen onderweg naar de schone voleinding, het Rijk der hemelen. 24 Oudsten van Israël en Apostelen samen staan rondom de troon. Kunnen we ons zo iets indenken?
Dan kunnen we ons realiseren dat we daarmee bezig zijn in een gebouw dat met datzelfde zegel, dat zelfde merk is getekend: 12 wijstenen met 12 kaarsen aan de muren om ons heen. Zo mogen wij hier ons onderweg zijn naar het heil beleven. Dat feest is compleet, voor de hele wereld: het getal 10 staat voor veel, alles; 10 x 10 is helemaal alles; 10 x 10 x 10 is onzeglijk veel alles. Meer kan echt niet. Maar dan is Johannes nóg niet uitgekeken: hij ziet een grote menigte die niemand tellen kan uit alle rassen en stammen en volken en talen en allemaal staan ze voor de troon in witte kleren en loven God en danken voor hun redding. Eén grote verzameling, één groot feest van de gemeenschap der heiligen.
In witte kleren, gewassen in het rode bloed van het Lam, het Lam van God. Het Lam dat het opneemt tegen het kwaad. Het bloed dat goddelijk, eeuwig Leven draagt. Het rode bloed van de Liefde dat zuiver maakt, ons innig openlegt voor het Liefdeleven. "Zo doet het geslacht dat zich richt tot Hem, dat staat voor het aanschijn van Jacobs God. Rein van handen, zuiver van hart " zoals we hebben gebeden in de tussenzang.
Een visioen inspireert maar het is bepaald niet altijd reëel. Is zo iets niet een beetje te optimistisch, "Is dat wel regel?" vraag je je wellicht af; zo'n ideale verwachting vanuit onze huidige wereld? "Ja zeker", zegt Jezus en hij houdt zijn beroemde bergrede voor een grote menigte. Op de berg, de berg van God.
- Een paar zaligsprekingen naar voren halen: "Gelukkig die arm van geest zijn". Arm van geest heeft niets te maken met dom zijn of zielig of dociel zijn. Iemand die zich arm van geest voelt, hunkert naar geest, is behoeftig aan geest, zoekt geestelijk leven, spiritualiteit, in gebed en handelen, richting het Rijk dat komen moet. Zo iemand laat zich niet schaden door materialisme, dat geen plaats heeft voor het blijvende. De arme van geest verlangt naar God.
- De tweede zaligprijzing:"Gelukkig de treurenden want zij zullen getroost worden". Het klinkt als een zoethoudertje: treur maar niet want in de hemel komt alles goed. Het is geen zoethoudertje; het betekent: Treur maar, doe maar, het is niet erg als je huilt want je huilt niet uit wanhoop; je kunt veilig treuren want de zekerheid van de goede afloop, de schone voleinding is weggelegd voor je kind of je partner - of wie je hebt verloren. Die is als Godskind getekend, bestemd Voor het Rijk. Zijn plaats is nu bij al die getekenden en al diegenen die in witte kleren voor de troon staan. Ze zijn van Hem.'
- Zalig de zuiveren van hart, die gevoed zijn door het Vlees en het Bloed van het Lam: zijn zien God. Weten dat je wordt gezien, dat je wordt gekend; God recht in de ogen kunnen zien, vol vertrouwen en vol liefde. De spiegel waarmee we het nu nog moeten doen, wordt steeds minder nodig. We zien steeds meer rechtstreeks.
- "Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid" doet ook denken aan 'zalig die vervolgd wordt door onrecht', door geweld, slachtoffer zijn van misdaad, terreur en misbruik. Al de ellende van de hele wereld komt naar voren en wordt opgevangen door die ene, die zuiver van hart grof onrecht heeft willen ondergaan en hoop heeft willen bieden aan hen die gemerkt gaan worden met het zegel van gerechtigheid, met een palm in de hand.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je denkt al gauw dat een visioen iets is voor half-zachten of overgevoelige mensen. Een visioen dat in geloof staat, dat geloof voedt, dat visie heeft, visie biedt, zo'n visioen staat in die Grote Liefde, die iedereen omvat. Wellicht kan zo'n visioen van Johannes je helpen te vermoeden wat er allemaal gaande is in het geestelijk leven.
Ik zag een engel opstijgen van de opgang met het zegel van de levende God. Een zegel voor ons. Kunnen we dat ons een beetje voorstellen? Nemen we daarvoor even tijd.


homilie
overweging 
  Onvoorwaardelijke liefde die je aanvaardt of afwijst

We zijn op de vooravond van een groot christelijk feest.  Allerheiligen, met reeds de sfeer ook van Allerzielen, maar die twee dagen zijn in feite niet elkaars tegengestelde.  Allerheilige helpt ons om Allerzielen in het juiste daglicht te plaatsen, en Allerzielen helpt ons om Allerheiligen niet enkel te zien als een feest, gewijd aan een hoop mensen die plechtig heilig verklaard zijn.

Wat is de betekenis van die feesten?  Wat is de diepe christelijke inspiratie erachter en wat hebben ze met ons leven te maken?

Deze feesten plaatsen ons leven onder de juiste belichting.  Ze zijn een uitnodiging om wat verder te kijken dan de drukte van elke dag en even wat op afstand te kijken naar de eigenlijke waarde van alles.

We hebben geen goed zich op de zaken wanneer we er altijd met onze neus tegenaan zitten en alsmaar door drammen, zonder eens even wat afstand te nemen en vanuit de juiste invalshoek ernaar te kijken en erover te denken.  De juiste invalshoek, de juiste plaats om naar ons leven te kijken is ons af te vragen : wat er de bedoeling van is, waar het toe geroepen is, en waarop het zal beoordeeld worden.

Dat zijn natuurlijk zware woorden maar we verstaan toch wel waarover het gaat.

Wat heeft God bedoeld met ons leven?  En wat is zijn gedacht - of zijn oordeel - over dat leven.  Wat droomt Hij van ons en wat vindt Hij van ons?

Zijn bedoeling was dat we gelukkige mensen zouden zijn.  Dat betekent: dat we zouden beantwoorden aan datgene waarvoor we geschapen zijn: om te leven vanuit onvoorwaardelijke liefde en die onvoorwaardelijke liefde ook te beleven.  “Onvoorwaardelijke liefde”, wat is dat?  God heeft ons tot bestaan geroepen omdat Hij van ons hield.  Ik kan het ook andersom zeggen: omdat God van ons hield werden wij geschapen.  Wij moeten niet presteren opdat Hij van ons zou houden, wij hoeven niet op onze tenen te lopen, we moeten geen onmogelijke dingen verrichten.  We moeten gewoon leven en dankbaar zijn voor de gave van het leven.  God stelt geen voorwaarden voor zijn liefde.  Hij houdt gewoon van u zoals ge zijt.  Met mijn luiheid?  Met mijn opvliegendheid?  Met mijn genotzucht?  Met mijn zwakheid, met mijn zonde?  Ja!  Hij houdt niet van uw luiheid, opvliegendheid, zonde, maar Hij houdt van u.  Met alles erop en eraan.  Onvoorwaardelijk.  Zonder voorwaarden te stellen.  Als je mij niet gelooft, dan moet je je maar eens afvragen waarom Jezus in ons midden is komen wonen, waarvoor Hij het lijden heeft doorstaan en zich aan het kruis heeft laten slaan.  Omdat Hij ons liefhad!  En waarom had Hij ons lief?  Omdat wij zo goed waren, omdat wij zonder zonde waren?  “Hij is voor ons gestorven toen wij nog zondaars waren”, schrijft Paulus.  In de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel belijden we “omwille van ons heil”, omwille van ons geluk, is Hij mens geworden en heeft Hij alles gegeven.  God houdt van ons, onvoorwaardelijk.  Zijn droom is, ons gelukkig te zien.

Wij maken ons ongelukkig wanneer we zijn liefde niet willen, wanneer we Hem blijven wantrouwen en wanneer wij ons eigen hart sluiten voor de liefde, voor onvoorwaardelijke liefde.  Op dat ogenblik treden wij dooreigen beslissing buiten die droom van God, die ons gelukkig wil maken.

Het is dus niet alles zo vol rozengeur en maneschijn.  Door mijn vrije wil kan ik me afsluiten van Gods onvoorwaardelijke liefde en ik kan weigeren om onvoorwaardelijke liefde door te geven.  Gods plan van heil zal zich aan ons voltrekken wanneer we in eenvoud tegenover God onze dankbaarheid uitdrukken voor zijn onvoorwaardelijke liefde en wanneer we Hem vragen dat we zouden mogen beantwoorden aan datgene waarvoor we bedoeld zijn: om zelf ook liefde door te geven: liefde die geen voorwaarden stelt.  Liefde die me van mensen laat houden ook wanneer ze niet perfect zijn, wanneer ze niet direct mijn sympathie wegdragen, wanneer ze andere politieke overtuigingen hebben, wanneer ze verkeerde daden hebben gesteld, wanneer ze op mijn tenen hebben getrapt.  Ik tracht te houden van zieke mensen, van mensen met maar weinig levenskansen, van kankerpatiënten en mensen die aan Aids lijden, van mensen die niet zo verstandig zijn, van mensen met een moeilijk karakter  Hoe is ons karakter.  Ik weet het, het klinkt wat simplistisch, wat al te gemakkelijk wat ik hier zeg.  Maar laten we ieder voor ons eens afvragen, waarom God van ons houdt hoewel Hij ons door en door kent.  En Hij zou graag hebben dat we wat op Hem zouden gelijken, als zijn kinderen.  Het heeft te maken met onvoorwaardelijke liefde.

Allerheiligen maakt ons duidelijk dat God de mens roept tot een geluk waarvoor geen woorden zijn, een geluk dat openbloeit over de dood heen; Allerzielen maakt ons duidelijk dat dit geluk ook bedoeld is voor al die gewone mensen van wie we hielden en die reeds overleden zijn, overgegaan zijn naar die eeuwige toestand van geluk.  Laten we God danken voor zijn plan van liefde en bidden we dat onze dierbaren en wijzelf mogen toegroeien naar de droom die God heeft over ons leven.


homilie
overweging 
  Transparant voor het licht

De zesjarige Sven wijst naar de glas-in-lood ramen en vraagt: Mama, wie zijn daar die mensen in het glas? - Dat zijn heiligen, kleine man. Waarop Sven zegt: Dan zijn heiligen gewoon mensen waar licht doorheen komt.

Die vele 'gewone' mensen uit alle volken, rassen en talen, door wie het licht schijnt van een barmhartige en zich ontfermende God, gedenken wij vandaag.

Doorheen het venster van Johannes' Apocalyps is er perspectief op een weidse horizon: de twaalf maal twaalfduizend, erkend als de 'dienstknechten van God'. Twaalf, niet als mathematisch getal, maar duidend op volledigheid, opent de ogen voor het groot aantal 'getekenden', 'gezegenden'. En daarbij komt nog de grote menigte die niemand tellen kan, uit alle rassen, stammen, talen en volken. Ontelbaar velen die voor de weg van waarachtig leven hebben gekozen.

Heeft niet iedere cultuur een venster op God? Ongetwijfeld wel, maar doorheen elk specifiek venster licht God slechts ten dele op. Verschillende vensters samen laten het licht van God voluit binnen stromen. En allen die dit licht bij zichzelf binnen laten en het ook in het leven van medemensen aanwezig brengen, dat zijn de 'heiligen', 'getekenden', 'gezegenden'.

Zij kiezen voor een transparant levensprogramma: eenvoudig en zachtmoedig, barmhartig en vol erbarmen, innerlijk zuiver en vredelievend. Omdat ze vinden dat het in de wereld anders kan en moet. Omdat ze er heilig van overtuigd zijn dat God het zo heeft bedoeld.

Allerheiligen gedenkt de ontelbaar velen die in het leven iets van het licht van Gods gelaat aanwezig brachten en dat ook nu nog doen. Veel gewone mensen die ademzacht menselijkheid bevorderen en de geloofwaardigheid van een waarachtige - ja heilige - levensweg aan het licht brengen.

Op de goede weg zijn wie lichtend in het leven staan en zich ontvankelijk-weerloos opstellen,
die hongeren naar gerechtigheid,
en door en door oprecht zijn,
die naar de rand geschoven worden
omdat ze kiezen voor het Licht.

Heiligen zijn mensen van de weg. Zij waren en zijn - God zij dank en dankzij God - onder ons. 'Gewoon maar mensen waar licht doorheen komt', zei de zesjarige Sven. Licht dat als door een prisma veelkleurig straalt op de weg die mensen te gaan hebben.

Waarlijk heilig zijn allen die in het dagelijkse tranendal gewoon een stukje van Jezus' bergrede waarmaken. Daarin worden tot acht maal toe die mensen zalig geprezen die kiezen voor de tegendraadse weg:

'Wees maar gelukkig als het licht in jou mag stralen. God staat aan jouw kant;
bij hem hoor je thuis.
Wees maar gelukkig als je ogen onbevangen zijn.
Daardoor ben je in staat scherper te zien waar God werkzaam is.
Wees maar gelukkig als je zonder ophef barmhartig bent. God ziet naar je om.'

Tot slot laat ik de Engelse bekeerling, theoloog en latere kardinaal John Henry Newman aan het woord:

"Leid, vriendelijk Licht, langs deze donkre baan,
leid Gij mij voort!
Zwart is de nacht, 'k ben ver van huis gegaan.
Leid Gij mij voort!
Richt Gij mijn voet, 'k verzaak te schouwen in 't verschiet.
Geef voor één stap mij licht, en stap voor stap, meer niet."

Mocht dit vriendelijk Licht ook onze stappen richten opdat wij de weg van de zaligsprekingen zouden gaan. Moge het zo zijn.

2010

De zachte en kwetsbare waarden

Je zou Allerheiligen het feest van de gedemocratiseerde heiligheid kunnen noemen. Allerheiligen draagt het label van de voor een christen kwalitatief hoogstaande waarden.
De zorg voor kwaliteit, waarmee bedrijven graag uitpakken,
moet zich bij christenen uitdrukken in het behartigen van die waarden of eigenschappen waardoor een mens zalig wordt genoemd.

Arm zijn, treuren, honger lijden en vervolgd worden kun je echter bezwaarlijk na te streven eigenschappen noemen waarvan Jezus bovendien zegt: aan wie ze bezitten en beoefenen behoort het koninkrijk der hemelen. Voor de wereld zijn zulke mensen brekebenen en sukkelaars.
Zij worden in het evangelie zalig geprezen. Het is de uitdrukking van diepe waardering en respect voor mensen in nood. Het is Jezus die tot hen zegt: Ik sta in Gods naam aan jullie kant.

In deze zin roepen de zaligsprekingen op om onze gangbare visie op mens en wereld te bevragen. Omwille van de bevordering van de kwaliteit van het leven moet het christelijk leven gekenmerkt zijn door een dynamiek van bekering, omvorming en groei. Dat draagt bij tot de democratisering van heiligheid.

Anderzijds komen in het evangelie van de zaligsprekingen waarden ter sprake die in het christelijk spraakgebruik deugden worden genoemd. Zachtmoedigheid, barmhartigheid, zuiverheid, vredelievendheid.
Ook dit zijn niet direct de eigenschappen die het doen in de wereld. Het zo geprezen nuchter, gezond verstand loopt er niet hoog mee op.

Zachtmoedigheid? Je krijgt het deksel op de neus.
Barmhartigheid? Ondank is s werelds loon.
Zuiverheid? Wees toch niet zo naïef!
Vredelievendheid? De beste verdediging is de aanval.

Dankzij deze eigenschappen of deugden is een ommekeer mogelijk naar de zachte, kwetsbare waarden die naar menselijke maatstaven niets garanderen. Maar zij geven duidelijk de weg aan waarlangs het koninkrijk van God reeds hier en nu dichterbij kan komen.
Allerheiligen scherpt het besef aan dat we door generaties mensen vóór ons gevormd zijn; we dragen hun goede en minder mooie eigenschappen met ons mee. We voegen er eigen trekken aan toe en geven ze door aan de volgende generaties.

Daarom gaat de katholieke kerk door met mensen uit allerlei culturen en tijden als heiligen in het licht te zetten en te zeggen: kijk, die hebben het ook gered (en meer dan dat). Zij hebben er de schouders onder gezet om de kwaliteit van leven te bevorderen. De cultuur van de zachte, kwetsbare, kwalitatief hoogstaande waarden lag hen na aan het hart omdat de zaligsprekingen hen die weg wees. Zo realiseerden zij in hun leven een kwalitatief hoogstaand programma in transparante eenvoud en zachtmoedigheid, gerechtig en barmhartig, innerlijk zuiver en vredelievend.

Mochten wij ons - in hun spoor - op zon programma blijven toeleggen!


homilie
overweging 
    Meneer Corstjens moet één van onze oudste parochianen zijn. Zes-en-negentig jaar oud is hij. Hij woont in "d'Oude Raai" en is gelukkig helder van geest. En met behulp van de onvolprezen rollator beweegt hij zich nog door het huis. Van meneer Corstjens kregen we een paar jaar terug dit Antonius-beeld dat sindsdien in de secretariaatsruimte van de pastorie prijkt. Meneer Corstjens vertelde mij dat het van een tante van hem geweest is die op de Ruysdaelkade woonde, op de begane grond. Het beeld stond destijds achter de ramen aan de vóórzijde en er brandde een lichtje bij. Volgens meneer Corstjens heeft dat zijn tante nog ooit ongewenst bezoek opgeleverd van een onbekende heer …

In de tijd van het "rijke Roomse leven" was Antonius een heel populaire heilige. Hij werd met name aangeroepen, Antonius, als men iets kwijt was. "Antonius m'n beste vrind geef dat ik m'n bril terugvind …" Om deze reden worden de gevonden voorwerpen in deze kerk nog altijd verzameld op 't Antonius-altaar. Dus als er weer eens iemand belt met de mededeling: "Pastoor, ik ben bij U in de kerk geweest en nou heb ik m'n bril daar laten liggen. Ik zat ongeveer op de vijftiende rij aan de linkerkant, bij Maria …", dan kan ik zeggen: "Komt U zelf even kijken, de kerk is elke middag open; en als uw bril gevonden is, dan ligt ie in het mandje op 't Antonius-altaar …".

Het Antonius-beeld van de tante van meneer Corstjens is een voorbeeld van echt een zoet heiligenbeeld, een soort pop eigenlijk. Je zou bijna vergeten dat die Antonius een echt mens, een mán van vlees en bloed is geweest. Hij werd geboren in Lissabon in 1195. Hij was vijfentwintig jaar oud en een theologie-student in de Portugese universiteits-stad Coïmbra toen daar in 1220 de stoffelijke overschotten arriveerden van vijf in Marokko om het leven gebrachte christelijke missionarissen. Antonius (die toen trouwens nog Fernandez heette); hij kwam toen op het idee om hun plaats in te nemen en óók naar Marokko te gaan … Hij deed dat ook, maar hij werd ziek en het schip waarmee hij zou terugkeren naar Portugal leed schipbreuk en zo kwam hij in Italië terecht. Daar ontmoette hij Franciscus van Assisi wiens volgeling hij werd. In Italië werd hij een beroemd en zeer geliefde rondtrekkende predikant. Vooral na zijn dood kwamen er de meest fantastische verhalen over hem in omloop: dat hij een keer tot de vissen preekte toen de mensen niet kwamen opdagen; en dat in Antonius' bijzijn een baby getuigd had dat zijn moeder onschuldig was toen ze van echtbreuk werd beschuldigd en dat een ezel die drie dagen niet gegeten had niet at van het voer dat hem werd voorgehouden maar wèl neerknielde voor een hostie die hem door Antonius werd voorgehouden. Dat soort verhalen. En ook dat het kind Jezus aan hem verschenen was … Vandaar dat hij altijd met het Jezus-kind op zijn arm wordt afgebeeld … ook bij het grote beeld op het Antonius-altaar is dat het geval …

Ja, mensen, de mensen hebben er soms wat van gemáákt van de heiligen …

Maar vergeet niet … ze hebben dat gedáán omdat de heiligen ook al wat wáren: mensen namelijk in wie vaak op een prachtige manier het licht en de liefde van God is zichtbaar geworden; mensen die vlees en bloed gegeven hebben aan Jezus' zaligsprekingen die we zoëven weer hebben horen voorlezen - en die we niet genoég kunnen horen; waar we niet genoeg aan herinnerd kunnen worden omdat Jezus erin schildert hoe mensen naar God's hart eruitzien …

Toen paus Benedictus XVI afgelopen zomer in Keulen was, bij gelegenheid van de Wereldjongerendagen heeft hij ook gesproken over de heiligen. Uit één van zijn toespraken daar wil ik U een stukje voorlezen. De paus zei:

"Er is de grote schare heiligen, bekende en onbekende, in wier leven de Heer het evangelie geopend heeft, in de loop der geschiedenis en ook nu nog. In hun leven toont zich de rijkdom van het evangelie als in een groot prentenboek. Zij vormen het stralende pad van God, dat Hij zelf door de geschiedenis heeft getrokken en nog steeds trekt (…)" Paus Johannes Paulus II "heeft veel mensen uit het verleden en uit meer recente tijden zalig en heilig verklaard. Hij wilde ons in deze mensen tonen wat het betekent christen te zijn, wat het betekent het leven goed te leven - het op Gods wijze te leven. De zaligen en heiligen waren mensen die niet vertwijfeld hun eigen geluk zochten, maar zichzelf eenvoudig wilden geven, omdat ze door het licht van Christus geraakt waren. En zo tonen ze ons hoe men gelukkig wordt, hoe men waarlijk mens kan zijn. In de wisselvalligheden van de geschiedenis waren zij de werkelijke vernieuwers, die de geschiedenis steeds weer uit de donkere dalen getrokken hebben, waarin ze steeds weer dreigt te verzinken, en die steeds weer zoveel licht hebben gebracht dat mensen, zelfs als ze lijden, kunnen instemmen met het woord van god, dat Hij sprak aan het einde van de schepping: Het is goed. (…) Alleen van de heiligen, allen van God, komt de werkelijke revolutie, de fundamentele verandering van de wereld."

Tot zover de paus. En nu weer terug naar Amsterdam. Of naar Paramaribo. Ik sprak pas een Surinaamse jonge man die met grote dankbaarheid en warmte sprak over zijn moeder. Dat maakte veel indruk op mij. "Het perceel van mijn moeder", zo zei hij, die jonge man, "daar dragen de bomen vier, vijf keer per jaar vrucht" - terwijl ze in de omgeving maar één keer geoogst. "De kersenboom, de olijfboom, de mangoboom enzovoort: er blijven maar vruchten aan komen zo zei hij. En het erf van zijn moeder - de kinderen uit de hele buurt trekken er naar toe. "Waarom zitten ze altijd hier?" vroeg die zoon aan zijn moeder … "Ach, het is een genade van God …" zei zijn moeder die, zo dacht ik, met Allerheiligen in het verschiet, misschien wel een heilige is, een "heel" een gaaf mens - zoals God een mens bedoeld heeft te zijn.

Dat wij allen, veelgeliefden, tóe mogen groeien naar die heelheid, naar die gaafheid. Dat we ons niet neer mogen leggen bij onze hebbelijkheden die van 't leven op aarde en ook binnen de kerk, ook binnen déze kerk, een soap een idiote drama-serie kunnen maken. Maar dat we boven onszelf uitstijgen en heel onze omgeving als het ware daardoor "opgetild" wordt en licht en ruim wordt; zodat er uitzicht komt op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar heiligen zich verzamelen rond de troon van God. Daartoe, veelgeliefden, roepen wij in deze viering alle heiligen in de hemel en op aarde aan; opdat de wereld en wijzelf op de eerste plaats transformeren, van gedaante veranderen …

De oude heer Corstjens in "d'Oude Raai" is zéér te spreken over alle engelen die hem ook op aarde reeds vol zorg omringen. Sommige van die engelen komen uit het land waarheen de jonge Fernandez, de toekomstige Antonius, vol idealisme was uitgetrokken, een land waar veel van onze huidige stad- en landgenoten ook hun roots hebben. Hij zegt: "Ik geloof in Jezus. Zij geloven anders. Maar dat maakt niet uit. Het is allemaal één." Dat is wat hij ervaart en wil en waar hij naar verlangt. De wijsheid van een zes-en-negentig-jarige … "Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten." "Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden." Dat zijn de heiligen … Laten wij hun namen noemen. Laten wij hun aanwezigheid oproepen. Laten wij door hun voorbeeld gesterkt en geïnspireerd worden. Amen.

2007

En, heeft Ú de nieuwe Quote gekocht, dat glossy blad met de actuele lijst van de vijfhonderd rijkste mensen van Nederland? Ze worden nu ook per gemeente genoemd. Bondscoach Marco van Basten is de rijkste inwoner van de Haarlemmermeer hoorde ik vanmorgen op de radio. Vijfendertig miljoen. Mensen, wat móet iemand met zoveel geld? Even dacht ik vanmorgen: Ik koop dat blad - met het oog op deze verkondiging. Bij nader inzien heb ik het toch maar niet gedaan. Want ík wil daar geen cént aan uitgeven. Zulke exorbitante rijkdom - dat is toch gewoon víes? Maar de wereld, de mensen … ze kijken er verlekkerd naar, naar de rijkdom en naar de rijken en hun luxe levensstijl, naar hun goud, hun auto's, hun jachten, hun kleren, hun huizen en hun strakgetrokken bekkies. De rijken zijn voor veel mensen de grootste voorbeelden, het tóónbeeld van een geslaagd leven. Dat wil ik ook! gaat er door mensen heen als ze dat zien, al die rijkdom. Misschien zit dat, als we eerlijk zijn, ergens ook wel in óns …



Maar vandaag vieren wíj Allerheiligen mensen. En dat betekent dat ons vandaag ándere rol-modellen, andere idealen en doelen om naar te streven worden voorgehouden dan die van de rijkdom en van de rijken. Op de rijkdom komen de mensen af als vliegen op de stroop. En moet je daartegenover hier óns eens zien: we zijn met een handjevol mensen. Er zijn al stemmen opgegaan, binnen het zogenaamde Liturgisch Beraad van ons parochie, om deze plechtige avondviering van Allerheiligen maar af te schaffen. Wie mij een beetje kent, die kan vermoeden hoe ík zo'n geluid ontvang … Ik ben a priori niet erg geneigd om erin mee te gaan, in zo'n voorstel … hoe begrijpelijk en "redelijk" het ook moge zijn … Het besef dat men zelfs in de vrome Middeleeuwen niet altijd even warm liep voor de heiligen relativeert misschien de zaak van de gelovige lauwheid en van het geloofsverlies in onze huidige tijd. Vanmorgen vroeg, om zes uur, lazen wij in de lezingendienst een stukje uit een preek van de heilige Bernardus, de abt van het Franse Clairvaux. Hij stierf in 1153. Reeds in de twaalfde eeuw verzuchtte Bernardus al: "De kerk van de eerstelingen staat op ons te wachten en het raakt ons niet. De heiligen zien verlangend naar ons uit en wij vinden het niet belangrijk. De rechtvaardigen zien naar ons uit en wij laten niets merken … Wij moeten toch eens wákker worden, ópstaan met Christus, zoeken wat bóven is, onze zinnen zetten op het hemelse. Wij moeten verlangen naar hen die naar óns verlangen, ons haasten naar hen die op ons rékenen, naar hen tóegaan met de bewogenheid van ons hart."



Een mooie gedachte mensen: Dat er een ontelbare menigte van heiligen is die op ons neerzien, die naar ons uitzien, die op ons betrokken zijn en aan wie wij ter harte gaan. Ik schroom altijd erg om moeder Teresa te noemen, de Albaanse non die in Calcutta, India zich het lot aantrok van de armste mensen. Ik schroom altijd om haar naam te noemen, want we zijn met haar doodgegooid in onze kerken. Ze is tot een cliché geworden, een stoplap die je dan op een gegeven moment niets meer zegt. En toch mensen … vanmorgen vroeg "verscheen ze mij". Ik zag haar gezicht vóór mij, vriendelijk lachend. Ze keek míj aan. En weet U wat nou zo geweldig is: We mogen geloven dat ze dat ook werkelijk doet! Ze kijkt naar mij, naar deze grote zondaar. Ze kijkt en ze lacht. Want ze leeft met mij mee. Ik ben haar sympathiek. Ze wil dat ik het goed doe. Ze gunt mij het beste. En U ook …



En het beste voor haar en voor alle heiligen is … niet de rijkdom, maar de armoede. "gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel" zo hoorden we Jezus zeggen in zijn bergrede. "Nederig van hart" vertalen ze in De Nieuwe Bijbelvertaling. Vroeger was dat: "armen van geest". De heilige paus Leo de Grote (gestorven in 461) zei daarover: "Hierdoor geeft Hij te kennen dat het rijk der hemelen eerder wordt geschonken aan eenvoudigen van hárt dan aan hen die arm zijn aan aardse goederen." En hij vervolgt: "Ongetwijfeld maken armen zich gemakkelijker de deugd van nederigheid eigen, want dank zij hun armoede blijven zij bescheiden en eenvoudig, terwijl de anderen zich gewoonlijk op hun rijkdom verheffen (denk aan de Quote!). Toch vindt men bij veel rijken een bereidheid hun overvloed niet te gebruiken om zich hoog boven anderen te stellen, maar om de weldadigheid te beoefenen. Wat zij uitgeven ter verlichting van andermans ellende, beschouwen zij als de grootste winst … Alle standen en klassen van mensen kunnen elkaar ontmoeten in de beoefening van deze deugd: ook al is hun vermogen niet hetzelfde, zij kunnen allen deze goede bedoelingen hebben. Het is niet van belang hoeveel zij onderling verschillen in aardse goederen, als zij inzake hemelse goederen aan elkaar gelijk zijn. Daarom is die armoede zalig te prijzen die zich niet laat verleiden door liefde voor het tijdelijke, die niet streeft naar vergroting van bezit in deze wereld, maar verlangt naar verrijking met hemelse goederen." Tot zover paus Leo de Grote. En nu we toch in Rome zijn: In de derde eeuw werden de christenen vervolgd. Ene Laurentius (later: Sint-Laurentius, hij is bijvoorbeeld de patroon van het bisdom Rotterdam en bisschop van Luyn loopt met hem wég); deze Laurentius was diaken. Hij was belast met het beheer van de kerkelijke goederen. En toen de nood het hoogst was deelde hij die uit aan de armen. Toen de wereldlijke overheid hem gelastte om met de rijkdom van de kerk voor de dag te komen verzamelde hij derhalve de armen … "Zíj zijn de rijkdom van de kerk" zei hij. Ik moet er wel eens aan denken als ik hier in de kerk ben met zo'n armzalig groepje mensen: Vaak zijn dat niet geslaagde en succesvolle, rijke mensen: Er zijn zwervers bij, mensen met een uitkering, illegalen, mensen met allerlei gebreken en kwalen, lichamelijk en geestelijk … Daar zit ík dan tussen. Ik ben één van hen. Ik hóór bij hen. En, veelgeliefden, dat is een eer. Niet voor hen maar voor mij. Zoals het een eer is voor onze kerk dat er hier een voedselbank actief is: Allerlei mensen die dat nodig hebben worden hier vanuit onze kerk door kerkelijke en niet-kerkelijke vrijwilligers geholpen met allerlei etenswaren - die overigens van elders komen. Het wordt niet door de kerk gefinancierd. Wij stellen alleen onze ruimtes ter beschikking eigenlijk. Ik kwam aan het eind van de middag de trap in de pastorie afdenderen. Komen er juist een paar moslim-dames door de gang met hun tassen. "Bent U van de kerk? - Er waren een paar jongens voor de kerk aan 't voetballen. De bal kwam tegen de glazen deur aan! Ik heb ze gezegd dat ze dat niet moeten doen. Dat mag je niet doen bij een kerk!" had ze tegen die jongens gezegd. Ik heb haar hartelijk bedankt. Wat een mooie ervaring. Een kado'tje. Ik kan dan soms overstroomd worden door een gevoel van dankbaarheid. En dan hoor ik Laurentius zeggen: Zij, de armen, zijn de rijkdom van de kerk … Denk ook even aan de soldaat Martinus. Hij leefde in de vierde eeuw en was soldaat. Het was winter en bitter koud. Te paard naderde Martinus de poorten van de Noord-Franse stad Amiens (zoals ikzelf afgelopen zomer op mijn vouwfietsje; ik heb sterk aan hem, aan Martinus, moeten denken …) Hij zag een haveloze bedelaar, Martinus. En in een opwelling van liefde sneed hij zijn grote soldatenmantel doormidden (en daar sliepen ze in die tijd in, in die mantel!) en gaf de helft aan de bedelaar. Martinus, die later bisschop van Tours werd, is er tot in onze tijd bekend door gebleven. Op elf november gedenken we hem. Dan gaan de kinderen met hun lampionnetjes langs de deuren en dan horen ze hopelijk ook dat verhaal over Martinus en de bedelaar. 's Nachts had Martinus trouwens een droom waarin Christus hem verscheen en hem vertelde: Die arme bedelaar - dat was ikzelf. In hem heb je mij gediend. Durf ik dat te geloven veelgeliefden? En zou ík een jas van mezelf weg kunnen geven? Het is maar een vraag …



De apostel Johannes, in zijn eerste brief, waaruit wij hebben horen voorlezen, schrijft: "Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld Hem niet kent …" Ja mensen, laat het maar eens goed tot U doordringen … Wij staan dan wel niet in de Quote, op pater Brenninkmeijer na, maar hij en wij zijn, met alle heiligen, kinderen van God! Vanuit die zekerheid, vanuit dat geweldige bewustzijn mogen wij in het leven staan. Sint-Bernardus, Moeder Teresa, paus Leo de Grote, Sint-Laurentius, Sint-Maarten en al die anderen lachen ons aanmoedigend toe: Wij zien verlangend naar jullie uit! Kom naar óns toe! Ik hoop van harte veelgeliefden dat de rijken van de Quote maar dat ook wij "niet van een kouwe Kermis mogen thuiskomen" zoals ze in Noord-Holland zeggen. Dat zij en dat wij er mogen zijn voor de armen - daar gaat het om. Zó zijn de heiligen. Amen.


homilie
overweging 
    Een tijd geleden was er ergens een tentoonstelling van Middeleeuwse kunst. Prachtige dingen van vroeger waren er te zien: misgewaden in brokaat, boeken met miniaturen met goud belegd, beelden uit hout gesneden.

Wat de kritische kijker had kunnen opvallen was, dat er allemaal afbeeldingen van heiligen waren: heiligen alleen, heiligen op een altaar of aan een kerkportaal. Maar voorstellingen van Christus of van God waren er bijna niet.

Zouden de Middeleeuwers de belangrijkste persoon van ons geloof vergeten hebben en zich tevreden hebben gesteld met de verering van de heiligen? Maar, beste medegelovigen, hoe beter je naar al die afbeeldingen kijkt, hoe duidelijker het je wordt, dat er in al die heiligen iets van Jezus Christus te herkennen is. De middeleeuwers waren er van overtuigd, dat de heiligen de beste kenners zijn van Gods geheimen. Niemand kan een mens dichter bij God brengen dan een heilige. Op een eenvoudige manier hebben de heiligen laten zien hoe je Blijde Boodschap van Jezus Christus in je dagelijkse leven in praktijk kunt brengen.

Wij kunnen de heiligen dus niet missen. Zij laten ons zien, dat een mens inderdaad een gelukkig mens kan zijn als hij leeft met God, ook al zijn er gebeurtenissen in het leven, die ons tegen zitten. Als wij zoveel mogelijk zelf het goede doen, en vooral als wij een groot geloof hebben, een diep vertrouwen, te midden van de moeilijkheden, dan kunnen wij al in dit leven Gods zegen ervaren.

Heiligen hebben ons veel te zeggen. Kijken wij naar het onwrikbare geloof van Bernadette Soubirous, de mateloze naastenliefde van koningin Elisabeth van Hongarije, de heldenmoed van pater Damiaan de Veuster, die voor de melaatsen op het eiland Molokai ging zorgen totdat hij ook zelf besmet raakte en stierf.

Een diamant, broeders en zusters, is geslepen in allemaal verschillende vlakken. Het licht wordt daardoor in verschillende richtingen weerkaatst, telkens met andere kleuren. Zo is het ook met de heiligen. De ene weerkaatst op bijzondere wijze het licht van Gods barmhartigheid, een ander weerkaatst het licht van Jezus' armoede.

Iemand vroeg ooit aan een kind: "Wat is een heilige?" Kijkend naar de heilige in het glas-in-lood-raam waardoorheen de zon naar binnen scheen, antwoordde het kind: "Een heilige is iemand door wie het licht heen schijnt". Onvoorstelbaar wat kinderen soms kunnen zeggen.

Dit is ook onze roeping, broeders en zusters, door ons heen mag het licht schijnen van Gods genade. Wij zouden zo moeten spreken, denken en handelen, dat de mensen door ons te zien en te horen aan het bestaan van God worden herinnerd.

Er is een tijd geweest, dat wij alle heiligenbeelden uit de Kerk verwijderden. Waarom? Omdat er aan een heiligenbeeld misschien ook dingen zijn, die niet kloppen. Een beeld is een heel statisch iets, staat steeds stil en dat terwijl onze heiligen vaak juist heel ondernemende mensen waren. Heiligenbeelden zijn soms met heel wat goudverf opgeschilderd, terwijl de heiligen in hun leven vaak bewust in armoede hebben geleefd.

Wat zo kenmerkend is voor een heilige is dat hij een luisterend oor heeft voor de roepstem van God en tegelijk een waakzaam oog heeft voor het leed onder de mensen, een helpende hand om mensen te dienen.

Gelukkig komen er langzaam aan weer meer mensen, die een of ander heiligenbeeldje in huis hebben staan. De behoefte aan het religieuze wordt langzaam, maar zeker groter. De heiligen geven ons, gelovigen, een houvast in het leven. Geven wij de mensen om ons heen een beetje houvast door op onze eigen manier de liefde van Gods genade door te geven.

Paus Johannes Paulus II schreef in zijn encycliek ‘Redemptoris Missio' - de zending van de Verlosser - dat een missionaire liefde vier kenmerken heeft.

Ten eerste zouden wij - net als Jezus Christus - onszelf helemaal leeg moeten maken van onszelf. Wij moeten onszelf en alles wat wij als het onze beschouwen opzijzetten. Wij moeten onszelf ‘alles voor iedereen' maken.

Ten tweede zouden wij iedereen moeten liefhebben. Want wij dragen de geest van de Kerk in ons hart. De Kerk, die er is voor alle volkeren en voor alle afzonderlijke personen, met name de minsten en de armen. Op deze manier kunnen wij een teken van Gods liefde in de wereld zijn.

Ten derde: liefde is concreet. Jezus drukte zijn liefde uit in zorg voor concrete mensen.

En ten vierde wijst Johannes Paulus II op wat Jezus Christus zelf heeft gezegd, namelijk: "Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn". Met andere woorden, wij zijn een teken van Gods liefde als wij werkelijk eenheid in liefde zijn.

Paus Benedictus XVI zegt dat wij goed onderscheid moeten kunnen maken in momenten waarop wij moeten spreken en momenten waarop het beter is niets te zeggen en de liefde zelf te laten spreken.

Broeders en zusters, wij hoeven mensen niet altijd met de catechismus te bestoken om ze weer in de kerk te krijgen. Als arme, zieke en stervende mensen aan Moeder Teresa van Calcutta vroegen waarom ze dit alles toch deed, antwoordde ze alleen maar dat God van hen hield, dat zij van hen hield. De heilige Geest, die in Moeder Teresa zo sterk aanwezig was, opende de harten van de mensen voor haar levende boodschap.

Proberen ook wij een levende boodschap te zijn, een levend getuigenis. Enkele woorden, vele daden, allemaal vervuld van Gods liefde. Zo waren de heiligen. En ook wij zijn geroepen zo te worden.


homilie
overweging 

  2007

  niet te koop

Met geld kun je alles kopen. Een mooi huis midden in de bossen met een zwembad en een sauna een biljartkamer en een bar, met een mini bioscoop en noem maar op. Als je maar genoeg geld hebt, dan is de keuze enorm.
Met geld kun je alles kopen. Prachtige vakanties naar verre stranden. Nieuwe bestemmingen in het Midden Oosten, die zomaar ontstaan midden in de woestijn. De luxe druipt ervan af. Maar het is alleen voor je weggelegd als je heel veel geld hebt en een goudkleurige credtitcard.
Met geld kun je alles kopen. Je kunt naar elke film en elke première. Je kunt filmsterren ontmoeten en met ze praten nog wel. Voor elk duur galafeest word je uitgenodigd en met je nieuwe jurk mag je er de show stelen. Om van te dromen
Met geld kun je alles kopen of niet…
Nee niet de glimlach van je kind, die blij is dat je weer thuis bent. Niet de lieve aai van je kleinkind, die blij is dat oma weer beter is. Niet de prachtige herfstkleuren in het bos. Zelfs niet de novemberstromen die wel weer voor de deur zullen staan en die ervoor zorgen dat je het binnen in huis gezellig maakt. Niet het bezoek van die aardige buurman, die voor je de heg knipt en de voortuin bijhoudt. Nee dat alles is niet te koop.
Vandaag vieren we Allerheiligen. Eigenlijk pas op 1 november maar we hebben het naar het weekend getrokken om meer mensen erbij te betrekken dan dat dit op een doordeweekse dag kan. Het is niet alleen het feest van de H. Antonius, de H. Lidwina of de H. Odulphus. Namen aan onze kerken in Best verbonden omdat ze toch iets heel bijzonders hebben gedaan. Het is een feest voor alle mensen die in God willen geloven die hun vertrouwen op Hem willen stellen en zelf ook willen leven in zijn naam door goed te zijn voor mensen, te delen met elkaar
En zorg te dragen voor kwetsbare mensen.
Het is aller Heligen en het gaat over ons allemaal. Mensen die niet proberen God te kopen, want zegt de schrijver van de eerste lezing: Hij aanvaardt het niet. Hij is niet partijdig ten nadele van de arme en hij luistert met extra aandacht naar het gebed van de weduwe of het weeskind. God is ook niet te koop. Je kunt niet tot Hem bidden en dan zeker weten dat Hij je helpt. Je gebeden zijn dan ook niet nodig voor Hem, maar om jezelf steeds weer opnieuw op het goede spoor te houden. Het gebed van de Farizeeër in het evangelie is dan ook een gebed waar Jezus van gruwt. Jezelf voor laten staan op je afkomst, op je vasten op je gebed en op wie en wat je bent. Jezus keert de verhoudingen om en zegt dat wie zich verheft zal vernederd worden en wie zich vernedert zal verheven worden. Dat is waar het bij het feest van Allerheiligen ook om gaat. Wil je in het spoor van Jezus horen bij de mensen, die de wereld heilig of heel willen maken of ga je alleen in het spoor door van alles wat te koop is, een goede naam, een dikke positie en alles wat met geld te koop is. God is niet te koop. Zijn glimlach zie je in de ogen van een kind, dat je zorg nodig heeft. Zijn gezicht zie je in de mens naast je. Zijn hart opent zich als mensen hun hart openen voor elkaar. Onze viering van Allerheiligen mag ons er steeds meer toe aanzetten en stimuleren.

2008

U zult zich er net als ik niet dagelijks last van hebben dat U zich zo ontzettend heilig voelt. We zeggen het ook wel eens: Ik ben geen heilige hoor! Alsof een echte heilige alleen maar ontzettend braaf zou zijn.
Soms lijkt het er ook op dat de heiligen die het officiële predikaat kregen
Heilig te zijn alleen maar ontzettend braaf en vroom zouden zijn. Zo worden ze immers afgebeeld op de heiligenkalender en in de geschiedenis van de schilderkunst. Zo was de H. Franciscus voor hij
tot inkeer kwam een rijke jongeman, die menig feestje bezocht. Hij kon ook heel fel zijn in zijn bewoordingen naar mensen toe en het was dan ook niet zo gek dat op een bepaald moment alleen de dieren nog maar naar ‘m wilden luisteren.
Door de geschiedenis heen zijn onze heiligen misschien wel te braaf en te vroom gemaakt en is het beeld wat bij veel heiligen ontstaan is erg verheven en soft.
Toch was en is de werkelijkheid wat anders. De vele martelaren die voor hun geloof gestorven zijn, hebben pal gestaan voor hun geloof. Ze waren geen brave volgelingen van wat iedereen deed, maar kwamen op voor
Hun idealen en zijn daarvoor gestorven.
Ook onze eigen heiligen Antonius en Lidwina waren niet zomaar brave en vrome lieden. Lidwina stond voor haar geloof en gaf na haar ongeluk op het ijs haar blijmoedigheid en moed niet op. Ze vond de kracht om anderen te troosten ondanks dat ze zelf veel te lijden had. Nou dan moet er behoorlijk wat pit in dat meisje gezeten hebben. En ook Antonius die kon spreken en preken voor duizenden mensen te gelijk. Ook die moet niet zo verlegen zijn geweest.
Nee… heiligen zijn niet zomaar brave vrome mensen die met hun hoofd in de wolken leven en bidden.
Heiligen werden heilig omdat ze zich op een bijzondere manier inzetten
Voor de boodschap van Christus. Peerke Donders, die durfde te leven in leprakolonies en er niet omgaf de zieken te omarmen en nabij te zijn in Jezus’ naam. Ook daar is lef voor nodig. Later kregen ze aureolen, die krans van heiligheid boven hun hoofd, maar de meeste zullen daar niet op hebben zitten wachten. Ze deden, wat ze voelden dat ze moesten doen; diep van binnenuit voelden ze een Goddelijke boodschap, die hun leven bijzondere inhoud gaf.
Deze dagen vieren we Allerheiligen en Allerzielen. Feesten die dicht liggen bij elkaar, want als het leven van een mens voorbij is, kijken we ook terug. We lezen gedachtenisprentjes, waarop staat hoeveel zorg ze hadden voor hun gezin, hoe trots ze waren op hun kleinkinderen. Gelukkig geldt dat voor veel vaders en moeders. Daarom willen we door die regels heen ook iets horen van wat hen bezielde in de wereld, in de samenleving: hoe iemand stond tegenover kwetsbare mensen, die hulp nodig hadden; hoe iemand opkwam voor vluchtelingen en armoedzaaiers. Natuurlijk is het ontzettend belangrijk dat iemand goed was voor de mensen van wie hij hield en die dicht bij hem stonden, maar wat iemand speciaal maakt is hoe hij was tegenover vreemdelingen, andersdenkenden en noem maar op. Nee, met braafheid alleen word je niet heilig en daarom prijst Jezus mensen gelukkig, zalig of heilig, die het niet voor de wind gaat, die het moeilijk hebben en die voor zijn boodschap van liefde willen gaan staan in een wereld die toen ook al niet zo gemakkelijk in elkaar stak.
We hoeven met zijn allen het kerkelijk predikaat Heilig niet te halen, ook onze overledenen niet, maar het spoor van Gods liefde gaan soms tegen de stroom in maakt mensen heel en onze wereld heilig. Dan wil God er zelf weer wonen.


homilie
overweging 

  2002

Een jaar geleden zag je op stations grote posters met 365 heiligen, een voor elke dag van het jaar. Tegelijkertijd ging er een campagne van start, waarin mensen gevraagd werd om namen in te sturen van nieuwe heligen. Dat zouden dan mensen moeten zijn, die zich in het klein of in het groot hadden ingezet - of nog inzetten - voor hun medemensen. Ik meen dat een oude pater in Tilburg boven aan het lijstje stond. Hij had al zoveel jaren elke avond het oude brood bij bakkers opgehaald en op zijn gammele fietsje in weer en wind in Tilburg bezorgd bij arme gezinnen.

Hij was een van de mensen, die dromen van een andere wereld, die de bestaande werkelijkheid (de grote tweedeling in rijk en arm) niet vanzelfsprekend vinden, die vinden dat het anders kan en anders moet, zodat alles en iedereen tot zijn/ haar recht kan komen, menswaardig kan leven, omdat zij de heilige overtuiging hebben dat dat Gods bedoeling is.

Ik woon in een buurt waar ik zeker twee of drie keer in de week tegen een oude heer aanloop, die mij telkens meent te moeten aanspreken omdat ik priester ben. Het gesprek vergt telkens een minuut of tien. Als hij op mij toe komt, weet ik al vooruit waar het over zal gaan, over die in-slechte wereld, over al die in-slechte mensen, over de kerk die er maar niks van bakt, over het einde van de wereld. Een en al doem. En als hij uitgepraat is, vraag ik hem steeds maar weer: 'Piet, heb jij ook nog een andere bril? Deze is zo donker.'

Ik geef hem gelijk dat ik ook niet onverdeeld optimistisch ben over de wereld vandaag, maar dat ik altijd toch weer zulke mooie mensen ontmoet, die tegengas geven, die een andere wereld neerzetten, die de wereld goed, mooi en leefbaar proberen te maken. Mensen die leven van een visioen, van Gods visioen, en heel hun leven inzetten om dat visioen waar te maken.

En dat ik vaak het voorrecht heb dat ik met zulke mensen het laatste stukje van hun levensweg mag mee lopen, en getuige mag zijn van wat hen bezighoudt en bezig hield in hun leven. En dat ik - als zij gestorven zijn - met hun familie (man of vrouw of kinderen) mag terugblikken op hun leven. En dat ik dan zo vaak bij mijzelf denk: wat een mooi leven, een leven dat een stuk zon, licht, geluk, vrede heeft weten te brengen in donkerte, aan mensen die niet meetellen of niet mee kunnen of verdriet hebben of gebrek lijden.

Zij zijn ons voorgegaan, eenvoudige mensen, op die weg, met zachte moed en een zuiver hart(zoals het evangelie zegt), hongerend en dorstend naar gerechtigheid, vrede en geluk brengend. Als we dit weekend allerheiligen vieren, dan denk ik niet alleen aan de brave zielen die officieel door de paus op een voetstuk zijn gezet, ons ten voorbeeld, maar ook en vooral aan de lieve mensen heel dichtbij, die van ons zijn heengegaan, man of vrouw, vader of moeder, broer of zus, in wier leven toch ook op de een of andere manier iets van Gods goedheid en liefde zichtbaar was.

Wij hebben afscheid van hen moeten nemen en wij voelen de pijn nog elke dag van dat gemis, en toch, wij zijn trots dat zij in ons leven mochten zijn, zo nauw met ons verbonden. Wij zijn geraakt door hun voorbeeld en voelen aan hen, hoe mooi de wereld kan zijn;en we zijn verrast hoeveel mensen door hen geraakt zijn.

Het is fijn naar hen te mogen kijken en aan hen te mogen denken en ons te realizeren, dat de woorden van Jezus, die wij zojuist in het evangelie gehoord hebben, op hen van toepassing zijn: Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, gelukkig zij die barmhartig zijn, gelukkig zij die zuiver van hart zijn, gelukkig zij die vrede brengen.

Ja, echte heiligen zijn de mensen, die in dit tranendal gewoon een stukje van dat visioen van God, van die bergrede, waargemaakt hebben of waarmaken.

Strakjes gaan wij de namen noemen van hen, die in het afgelopen jaar van ons zijn heengegaan. Hen gedenken en vieren op dit feest vandaag betekent: doorgaan in de lijn van hun leven, net als zij intens verlangen naar harmonie, naar leven voor iedereen, naar heelheid in God.

2005

Op de goede weg zijn zij, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid;
die vervolgd worden om gerechtigheid: hun behoort het rijk der hemelen.

Afgelopen Maandagavond stierf in Detroit, in Amerika, Rosa Parks. Ze was 92 jaar geworden. Ouderen onder ons praten nog met trillende stem over deze eenvoudige zwarte vrouw, naaister van beroep, die door een heel simpele maar moedige daad van burgerlijke ongehoorzaamheid, ‘moeder werd van de burgerrechtenbeweging’ in N.Amerika, de beweging van ds.Martin Luther King.

Wat was het geval? Zwarte mensen moesten - dat was toen de wet - in Montgomery, in Alabama, in de bus opstaan en hun plaats afstaan aan blanken; je reinste discriminatie op grond van huidskleur.

Zo werd op 1 december 1955 een jonge zwarte vrouw, Rosa Parks - ze was 42 jaar toen - gesommeerd door de buschauffeur om haar plaats af te staan aan een blanke. Zij weigerde en bleef zitten; zij stond op (opstand) door te blijven zitten. Ze werd gearresteerd, vervolgd om gerechtigheid. Rosa Parks zat op de goede weg; aan haar behoort het rijk der hemelen.

Waarom vertel ik dit verhaal vandaag op deze Allerheiligendag, nu wij denken aan onze lieve doden? Omdat wij, ik weet het zeker, met fierheid denken aan hen, en ons ook momenten herinneren, waarop wij trots zijn en die heel veel voor ons betekend hebben en van blijvende invloed zijn geweest op ons en op mensen in hun omgeving.

Als iedere mens, ver­langden zij in hun leven naar de hemel op aarde, naar een mooie wereld waarin iedereen gelukkig kon zijn, een wereld van gerechtigheid en liefde. Zij waren geen supermensen, net zo min als Rosa Parks; zij waren gewone mensen, die een mooie wereld, Gods koninkrijk, met vallen en opstaan, hebben proberen waar te maken in hun leven. Zij straalden iets uit, in woord of daad, van Gods goedheid en hebben ons meegenomen op hun levensweg en ons een stukje laten zien van wat God is.

"Op de goede weg zaten zij”, zo hoorden wij in de evangelielezing.

Ik denk dat het U net als mij vergaat, wanneer ik aan mijn lieve doden denk. Ik relativeer hun menselijke fouten in het licht van al het goede dat zij hadden. Ik herinner mij hoe zij zich inzetten voor anderen, voor ons, en zich gaven los van zich­zelf: arm van geest op zo'n moment. Ik herinner mij hun geploeter, dag en nacht in de weer voor anderen, voor ons, zonder zich af te vragen: wat kost het al­lemaal? Ik herinner mij hun tranen en zorgen, maar weet ook dat zij door hun lijden, verdriet en zorgen heen, mooier werden en groeiden als mens. Ik herinner mij hun trouw, hun meest echte momen­ten, hun goede bedoelingen: zuiver van hart waren zij dan. Ze kenden ogenblikken van mildheid, van har­telijke belangstelling. Bewust of onbewust, lieten zij in hun leven een stukje van God zien. Op de goede weg waren zij.

En dan besef ik, dat ik naar hen kijk, zoals ik vermoed dat God naar hen kijkt. Ik denk oprecht, dat Hij tot hen zegt: wees gelukkig, want jullie deden zo eindeloos je best in moeilijke omstandigheden; wees gelukkig om wat je gedaan hebt; jullie zitten goed.

Wij gedenken onze lieve doden vandaag. Het echte gedenken van wie wij in ons hart meedragen betekent: doorgaan in hun lijn, net als zij hunkeren naar leven, naar liefde, naar har­monie, naar genegenheid; net als zij - net als Rosa Parks - hunkeren naar een mooie wereld, naar een wereld van broederschap en zusterschap, ongeacht huidskleur. Dat is immers - bewust of onbewust - het ver­langen, dat iedere mens gaande houdt en doet toegroeien naar zijn/haar vol­tooiing.


homilie
overweging 

  2006

Een hele poos geleden zag ik op tv een documentaire over een begrafenisondernemer in Amsterdam, een klein bedrijfje. Zij hadden de taak (vanuit de gemeente) om mensen te begraven die niemand hadden om hen te begraven: zwervers die gevonden waren, mensen die weken in huis tussen het vuil gelegen hadden…

Zij vertelden hoe zij hun best deden er iedere keer iets moois van te maken. Ze zochten tussen de spullen die iemand had achtergelaten naar iets persoonlijks, naar een toevallig of oud adres, om toch nog iemand uit te nodigen, naar aanwijzingen waar de overledene van hield om zo het afscheid toch wat persoonlijker te maken. Soms was er helemaal niemand en pasten ze in één auto. Maar ook dat deden ze. Voor iedereen een waardige uitvaart, een buiging, hoed af en in stilte teruglopen over het grind.

“Gelukkig de barmhartigen, ze zullen barmhartigheid ondervinden”.

In het evangelie prijst Jezus hèn gelukkig, die het meestal niet maken in onze wereld, die niet gezien of gehoord worden. In onze maatschappij herkennen we dit nauwelijks meer, het is zo tegenstrijdig aan de manier waarop onze westerse cultuur nu is. De voorbeelden van die begrafenisondernemer moet je vaak met een lampje zoeken.

Want hoe is het als je arm bent van geest, als je het niet meer weet, als je geen antwoorden hebt op wat je tegenkomt, als je stil valt…..

Hoe gaat het als je moet leven met verdriet? Dan moet je toch flink zijn, doorzetten, op je tanden bijten en niet te lang treuren….?

Hoe vergaat het de zachtmoedigen, degenen die niet van zich af kunnen bijten….?

Hoe vergaat het de slachtoffers van de Schipholbrand, nu een jaar geleden…?

Hoe is het als je opkomt voor gerechtigheid, als je laat merken dat collega’s te ver gaan, als je opkomt voor een klasgenoot die niet meetelt…?

Hoe vergaat het je als je vrede wilt brengen bij iemand die vol zit van wrok en haat…?

Jezus prijst hèn gelukkig die aan de rand van de samenleving worden gezet. Voor God zijn zij het, die Hij ziet; God plaatst hen op nummer 1, God zet hen in zijn licht, God hangt hen als het ware een medaille om.

In de Amsterdam Arena zingen ze: we are the champions, no time for losers.

Jezus draait het net om: er is wel tijd voor ‘losers’, de kwetsbaren en weerlozen worden geprezen en zij die voor hen opkomen.

Als pijn en lijden, ziekte en dood in je leven komen, wordt je heel kwetsbaar. Dan voel je aan den lijve hoe hard en snel onze samenleving is en hoe klein je eigen wereldje dan wordt. Je leven wordt beheerst door pijn en verdriet, maar ook door veel kleine momentjes van geluk, van diepe verbondenheid en dank. We ervaren pas dan wat er werkelijk toe doet in het leven, wat ècht van waarde is.

Vragen en herinneringen aan afscheid en einde, aan breuk en verlies, ze houden ons altijd weer bezig. Ook de vraag van het leven na de dood, de vraag waar onze dierbare partner, vader/moeder, zoon/dochter, zus/broer, vriend/vriendin nu is, waar zijn ze en wat voelen zij nu? Wat blijft over, als we niet meer kunnen dromen of fantaseren?

We voelen in elk geval dat onze dierbaren niet weg zijn, dat ze nog om ons heen zijn; ze horen nog bij ons en in de verhalen blijven ze ook in ons midden leven. Wij blijven altijd met elkaar verbonden, omdat zij ervoor gezorgd hebben dat wij zijn zoals wij zijn, door hun leven zijn wij gevormd, hoe dan ook. En vaak blijven zij in onze herinnering als voorbeeldfiguren, als mensen die ons het goede voorbeeld gegeven hebben.

Maar verder? Dit zeggen ook mensen die niet in een God geloven. Heeft ons geloof ons dan niet meer te bieden?

De paaskaars zet ons een stuk op het spoor: het toont ons de weg die vaak tegen een muur aan knalt, onze levensweg die soms stuk loop op een blinde muur van angst en pijn, van lijden en dood, van oorlog en haat, van uitzetcentra en slechte jeugdzorg, van vluchten en nergens thuis mogen zijn. Maar de muur heeft ook een gat, waaruit een kruis ontspringt. Het kruis van Jezus van Nazareth, die aan den lijve ervaren heeft wat pijn en lijden is, die wist dat het kiezen voor weerloze en kwetsbare mensen hem vaak niet in dank werd afgenomen. Maar daardoor kon hij wel die muur van pijn en verdrieten doorbreken; door zijn optreden gaf hij mensen weer wat uitzicht. Zelfs het uitzicht op leven na de dood. Door zijn kruis durven wij nu geloven in die weg achter het kruis: het is niet voor niets geweest; de levensweg van mensen heeft uitzicht over het kruis heen.

We weten het niet zeker, we kunnen niets bewijzen, maar met de tekst van Jesaja in ons hoofd, durf ik zeggen: vertrouwen blijft over, want: “Jahwe de Heer vernietigt de dood voor altijd. Hij veegt de tranen van alle gezichten”. Vertrouwen blijft over, vertrouwen op die God. Het vertrouwen dat je steeds weer overeind helpt na iedere tegenslag, na iedere bittere pil die je te slikken krijgt, bij ieder onverdiend verlies. Vertrouwen over de grenzen van de dood heen, omdat liefde sterker is dan de dood…, omdat we hebben bemind en omdat God liefde is. In dit vertrouwen weten we dat onze dierbaren in Gods liefde zijn. Zij rusten echt ‘in vrede’. Amen.


homilie
overweging 

2008

Wat we hopen en geloven


Allerheiligen en Allerzielen vormen een duo, de voorkant en de achterkant van hetzelfde verhaal over leven en dood, dit jaar de twee dagen van het weekeinde. Allerzielen is wat wij weten: geliefde mensen die van ons afscheid hebben genomen. Allerheiligen is wat wij hopen: God die alle mensen naar zich toetrekt. Vandaag, zaterdag, wordt onze hoop in de schaduw gedrukt van ons weten. Veel kerkgangers zullen waarschijnlijk deze zaterdag overslaan. Er zullen meer mensen naar het kerkhof gaan dan naar de kerk komen.
Dat is jammer, want Allerheiligen is een van de mooiste feesten van het jaar: niet een feest van Christus of Maria of van een bekende heilige op de kalender, maar het feest van alle mensen.

"Een grote menigte die niemand tellen kon", zo staat het in het Boek der Openbaringen. 144.000 is meer een idee dan een getal. Het betekent restloos allen. Want twaalf en veelvouden van twaalf willen in de Bijbel zeggen: voltallig, volledig, compleet. De blijde boodschap over onze toekomst na de dood kent geen beperkende predestinatie, geen calvinistische voorbeschikking, geen goddelijke voorbestemming zoals de getuigen van Jehova voorhouden. We kunnen niet universeel genoeg kijken als het om de uiteindelijke bestemming gaat die God voor ons heeft bereid.

Als het om troosten gaat, kijkt God eveneens over de grenzen van onze rassenwaan en godsdienstverschillen heen.

Wie het meest heeft geleden zal Hij het meest gelukkig maken. Kijk maar naar de bergrede. Onder degenen die door Jezus zalig werden geprezen vinden we niet velen die geluk hebben gekend in het leven. Zalig die nederig van hart zijn, die verdriet hebben, die met heel hun wezen verlangen naar gerechtigheid, die vervolgd worden. Hén zal God troosten, verzadigen, belonen. Want God lijdt mee met de mens; ja, in de mens. Zoals ouders lijden in hun zieke kind, of zoals mensen kunnen lijden aan de handicap van hun geliefden. Netzomin als wij wil God het lijden of de dood van degenen aan wie Hij het leven heeft gegeven. ‘Zalig’ werden ze geprezen. ‘Gelukkig’, zegt de nieuwste bijbelvertaling, maar dat betekent hetzelfde. Als ze sterven zal hun leven zijn voltooiing vinden in Gods heerlijkheid.

Het christendom heeft altijd een ondubbelzinnige voorliefde voor personen en gebeurtenissen in plaats van voor ideeën en theorieën. Niet de wetten zijn onze wegwijzers, wel levende mensen. Niet een leer maar een persoon staat in het centrum: Jezus Christus. Zij die de innerlijke bewogenheid met Jezus delen en van daaruit leven, zulke mensen groeien uit boven alle kleinmenselijkheid en zijn lichtende voorbeelden. Zij laten iets van hun onkreukbaarheid zien in hun gehechtheid aan God, in hun verzet tegen onrecht en in hun inzet voor de mens in nood. Die mensen laten zien wat 'heilig' is in het leven, wat de moeite waard is en kost wat kost gered moet worden, wat alle toewijding verdient. En die mensen worden heiligen genoemd.

Daar zijn mensen bij uit het verre verleden, maar ook mensen van dichtbij, mensen die wij gekend hebben en die ons hebben leren geloven en beminnen. Zij waren vader, moeder, broer, zus, buur of vriend. We hebben hen ervaren als mensen die licht brachten in ons bestaan en die ook licht en uitzicht bieden over de dood heen.

In een wereld van godsverduistering hoor je bijna niets anders meer dan dat de hemel leeg staat. Voorbij is voorbij. Gedaan, zand erover.

Het feest van vandaag gaat daar tegenin. Het is een protestfeest. Het nodigt ons uit om vanop een afstand te kijken naar de eigenlijke waarde van alles. Niet enkel met de ogen van wat je constateert, dat doet de wetenschap, en terecht, maar met de ogen van geloof en hoop. Het zijn creatieve krachtbronnen. Ze doen ons vertrouwen dat op het moment van afscheid, als alles anders wordt, dat een grote liefde ons zal opwachten. Gods liefde kent geen grenzen. Wij zijn eindig en beperkt, maar Zijn liefde duurt eeuwig.
 


homilie
overweging 

2008

Toen vorige week Drieluik door bus viel en ik het doorbladerde, viel mijn oog op de beschrijving van Allerheiligen en Allerzielen. Er stond: “Het is natuurlijk niet toevallig dat Allerheiligen en Allerzielen zo naast elkaar worden gevierd. Op ons kerkhof liggen namelijk onze heiligen. Op 1 november denken we abstract aan de heiligen van de kerk en op 2 november maken we dat concreet door te denken aan onze heiligen die ons dierbaar zijn geweest.” Ik weet niet, wie de tekst geschreven heeft en ik gun elk mens zijn eigen beleving, maar wat daar staat klopt niet. Daarom maak ik van de gelegenheid maar eens gebruik om de verhouding van Allerheiligen en Allerzielen aan U uit te leggen.

Op Allerheiligen vieren we, dat het onze Heer met enige regelmaat gelukt is en nog lukt, om ons mensen te veranderen, heiliger te maken. Bij een groot aantal mensen straalt het er gewoon van af, dat ze diep geraakt zijn door de Heer. In principe zijn wij allemaal aangeraakt door de Heer en door Hem op de weg van de heiliging gezet. Daarom spreekt Paulus in zijn brieven alle gelovigen wel eens aan als “heiligen”. En ja, bij de meesten van ons is er af en toe best wel wat van te zien, dat we christenen zijn, dat we in love zijn met God. Maar bij een stel mensen is ook duidelijk te zien geweest voor wie er met gelovige ogen naar kijkt, dat het geloof, de hoop en de liefde naar God het centrale was in hun leven. Bij de martelaren is dat al helemaal duidelijk. Ik bedoel: die waren misschien niet altijd goed en braaf en heilig, maar toen het erop aan kwam en mensen tegen hen zeiden “je geloof of je leven”, toen hebben ze geantwoord: dan moet U mijn leven maar nemen, want zonder geloof kan ik niet leven”. De kerk heeft van die mensen, bij wie het duidelijk leek, dat ze op die manier God bovenaan hadden staan in hun leven, er ook een heleboel officieel heilig verklaard. Die vereren we samen, die worden ook ter navolging aanbevolen. En we geloven dat ze, zoals ze in hun leven liefhadden en voor anderen baden, dat ze dat in de eeuwigheid blijven doen.

Op Allerheiligen kijken we als het ware naar de hemel en zien we ons temidden van een schare van mensen, die het gehaald hebben, die schitteren van liefde. Zoals die 144.000 getekenden uit de eerste lezing. En dan bidden we: God, laat ons daarbij horen, ontferm U over ons. God, laat me horen bij Paulus en Johannes, bij Augustinus en Thomas van Aquino, bij Benedictus en Franciscus, bij Willibrord en Titus Brandsma, bij mijn moeder en bij alle heiligen van De Meern. We denken op 1 november niet abstract aan alle heiligen. Het zijn hele concrete heiligen. We denken aan de heiligen, voorzover ze stralen in het licht.

Op 2 november is het anders. Op 2 november denken we aan alle heiligen, aan ons soort mensen: die wel aangeraakt zijn door de Heer, die ook wel op de weg van de heiligheid gezet zijn, daar misschien ook wel wat op gevorderd zijn, maar waar toch het nodige groezelig aan is. Je zou kunnen zeggen: het gaat dan over al die mensen, die inderdaad ten diepste wel voor God gekozen hebben, maar waar toch hele stukken leven niet direct heilig geworden zijn. Als de hemel is, dat God voor jou is en jij voor God en dat allebei voor 100%, dan is het bij de meesten van ons zo, dat God wel 100% voor ons is, maar wij bij wijze van spreken maar voor 40 of 60 of 80% voor hem. In onze traditie hebben wij daarom het vagevuur uitgevonden. Dat is aan de ene kant niet de hel: dat is, als je echt de hemel geweigerd hebt. Maar een plaats van reiniging, uitboeten. De zielen die nog niet klaar zijn voor de ontmoeting met de totale liefde, worden daar nog wat schoongespoten, schoon-geboet. Ik kan me niet zoveel voorstellen bij het vagevuur, de bijbel heeft het er ook nauwelijks over -al zijn er een paar teksten, die zoiets wel suggereren (bijvoorbeeld Paulus, die het heeft over “gered worden door het vuur heen” - 1 Kor. 3,15), maar de gedachte is zo barmhartig, dat God toch ook op het idee gekomen moet zijn. De gedachte achter Allerzielen is eigenlijk, dat we dan onze medegelovigen gedenken, die te dragen waren, die ook wel van het geloof, de hoop en de liefde waren, maar waar toch ook wel het nodige nog van de oude mens te merken was. Misschien meer dan hen zelf en ons lief was. En dan staan we voor God en zeggen wij: God, als U ons uitnodigt voor het grote feest, dan graag, maar toch niet zonder de mensen, waar het nodige op aan te merken was, maar van wie hielden.

Op Allerheiligen bidden de heiligen voor ons en wij met hen. Op Allerzielen bidden wij voor de half-geheiligden. Je kunt de vraag stellen, of dat nou nodig is. Protestanten houden er gemiddeld niet van: die willen graag de gestorvenen gedenken, maar om voor ze te bidden. Die vragen wel eens: helpt dat dan? en zou God van zichzelf uit niet barmhartig zijn, zodat Hij door ons op een idee gebracht moet worden? Dat zijn goede vragen, omdat ze ons doen nadenken over de betekenis van ons gebed voor de doden. Het gaat er natuurlijk niet om, dat wij bramhartiger zouden zijn dan God zelf. Alsof wij God zouden moeten overhalen, om iemand de hemel in te laten. Waar het wel om gaat is, dat we in de voorbede voor de wat groezeliger heiligen van onze liefde voor hen blijk geven en die is door God wel gewild. Bovendien is het bidden voor de doden ook een vorm van dat wij aan hen ook vergeven, wat ze in ons midden voor kwaad deden. De dode oom of buurvrouw kon wel eens onbenullig zijn of grof, de overleden vader kon wel eens te driftig zijn en de handen wat te los hebben, maar toch willen we hem niet missen. Hij hoort erbij. Het gaat er in het gebed voor de doden om, dat we zelf barmhartig worden, net als God al is.

En zo wordt de kerk een gemeenschap van voorbeden voor elkaar. We doen dat hier al voor de levenden: we bidden voor de arme AIDS-lijders in Afrika, voor onze zieke familie, voor een kind dat eindexamen doet. Deze twee dagen vieren we dat de kerk naast ons, levenden, ook de doden omvat: de stralenden in de hemel, de half-heiligen in het vagevuur. De voltooide heiligen bidden voor ons, wij bidden voor de onvoltooide heiligen, levenden en doden. Allerheiligen: God, laat ons bij hen horen! Allerzielen: God, graag willen we uw feest, maar toch niet zonder die dierbaren. En zo zijn we liefdesgemeenschap. Amen.


homilie
overweging 

 

Zoete woorden. Als honing in de mond. Maar wat kan de werkelijkheid zwaar op de maag liggen. Mooie woorden: een menigte, met palmtakken in de hand, gekleed in witte gewaden. Woorden over de grote liefde van God, zaligsprekingen voor allen die troost nodig hebben. Je zou weg kunnen zwijmelen in een droom over zo’n heerlijke toekomst, over een eeuwig geluk bij God. En dat mag ook best. Het is zelfs goed om van tijd tot tijd die toekomstdroom voor ogen te stellen. Zoals de wacht in het kraaiennest uitziet naar het land in de verte. Land in zicht, het Beloofde Land in zicht. Daarheen zijn we op weg.

Maar Jezus zou Jezus niet zijn als Hij ook niet tegelijk, als een echte realist, de werkelijkheid voor ogen houdt. Bij Hem kun je nooit zo zweven dat je niet tegelijk met beide benen op de grond blijft. Want Hij prijst zalig, juist diegenen die wij niet zalig prijzen, die omstandigheden, waarvan wij juist niet dromen, tenzij in een nachtmerrie. Bij Jezus voegen droom en werkelijkheid zich samen.

We hoorden het al in de eerste lezing: ‘Wie zijn dat in die witte gewaden? ... Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het Bloed van het Lam!’ ... ‘Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil’.

Het is een harde werkelijkheid waarin Jezus zijn zaligsprekingen doet klinken. Het is een contrast dat bijna pijn doet aan je oren. Onze geest en ons hart zijn amper in staat deze spanning te overbruggen. Hoe komt het toch dat Jezus juist hen die in allerlei moeilijke omstandigheden verkeren zalig prijst. Waarom doet Jezus het zo anders dan de wereld waarin wij leven? In de wereld klinken de zaligsprekingen heel anders:

1. Zalig de rijken, rijk aan talenten en rijk aan bezittingen, rijk naar geest en lichaam, gezond en welgeschapen, ze hebben het geluk in eigen hand.
2. Zalig die lachen en juichen, die vrolijk zijn en genieten, zij hebben niets meer nodig.
3. Zalig die voor zichzelf opkomen, krachtig en assertief, die niet op hun mondje gevallen zijn, want zij zullen het in dit land wel maken.
4. Zalig zij die ongevoelig zijn voor verdriet, die weten dat de wereld nu eenmaal onrechtvaardig is, die daar niet wakker van liggen, want zo red je het in dit bestaan.
5. Zalig zij die niet met iedereen medelijden hebben, die bedelaars de deur wijzen, die lik op stuk geven en goed voor zichzelf zorgen, zij weten wat ze hebben.
6. Zalig die recht praten wat krom is, die geen last hebben van hun geweten, zij leven gemakkelijk en zullen nooit iets tekort komen.
7. Zalig zij die vrede afdwingen met overmacht en dreiging. Zij zullen de anderen wel onder de duim houden.
8. Zalig zijn jullie, wanneer mensen je vleien, je bejubelen, jouw tekorten niet verraden, je hebt de hemel op aarde.

Deze zaligsprekingen kunnen zo in de reclame, in de boulevardbladen, in de cursussen voor geluk en succes. Ze zullen het zo niet publiceren, daarvoor is onze maatschappij nu nog te Christelijk, maar in de praktijk is het vaak wel zo.

Hoe is het dan mogelijk dat de zaligsprekingen van Jezus toch al bijna 2000 jaar staande blijven, dat we die nog steeds voor ogen houden?

Zou het hierin kunnen zitten? De wereld is schitterend, bekoorlijk om te zien, om te proeven om te ervaren; schitterend. En dat is te begrijpen, want God heeft de wereld gemaakt en God maakt geen rommel. Maar de wereld is zo mooi, dat we God dikwijls vergeten. Als God aan ons hart klopt zijn wij te druk bezig met de wereld en met onszelf. God heeft ons zoveel gegeven dat wij - verrukt over het cadeau - de Grote Gever van dat cadeau Zelf vergeten.

Maar van tijd tot tijd stelt die wereld teleur, dan blijkt alles beperkt, dan glipt het geluk door de vingers, dan sta je volledig in de kou en vraag je je af of alles geen bedrog is.

Het zijn die momenten dat God weer een poging waagt, dat Hij weer eens aanklopt: ‘Mag Ik binnenkomen?.’ Het zijn de momenten van crisis, van ziekte, van teleurstelling en tegenslag dat wij mensen weer ontvankelijk worden voor God. Niet omdat God die ellende wil, maar omdat wij mensen zo zijn geworden.

Je kunt arm zijn en daarom stikjaloers op de rijken, dan ben je twee keer arm. Je kunt rijk zijn en met gemak steeds weer weggeven, omdat je er niet aan gehecht bent, dan ben je twee keer rijk. Je kunt ook rijk zijn en alles krampachtig vasthouden, en nog meer willen hebben, dan ben je armer dan de arme. Je kunt ook arm zijn en geestelijk daarboven staan en innerlijk vrij zijn. Dan ben je rijker dan rijk.

Dat bewustzijn klinkt door in de zaligsprekingen. Je verliest de wereld, maar je vindt God, zalig jij. Je menselijke kracht neemt af, en nu blijkt dat God jouw kracht wordt, zalig jij. Je bent niet bij veel mensen in aanzien, maar God acht jou hoog, zalig jij. Alles wat je verliest wordt een kans om God te vinden en daarom prijst Jezus juist hen zalig.

We eren vandaag de heiligen. Gewone mensen, met dit ongewone, dat zij gaandeweg ontdekten dat heel die mooie, bekoorlijke wereld het niet haalt bij God. Op een goed moment in hun leven hebben zij volledig voor God gekozen en de wereld kon hun gestolen worden. Kregen ze wat ze nodig hadden of niet? Het maakte niet meer uit. Zij hadden God gevonden.

Vanaf dat moment ijverden zij voor gerechtigheid, hielden zij van de mensen, beeld van God, Gods kinderen, konden zij zichzelf vergeten want God dacht aan hen. De heiligen. We huldigen hen vandaag, we nemen hen als voorbeeld, we bezingen met hen God die ons te hulp komt. We vragen hen ook ons te helpen om de gunstige momenten niet voorbij te laten gaan. Want bij elke tegenslag heeft God winst voor ons in gedachten. Zalig wij. Amen.


homilie
overweging 

 

Op de Geleenbeek te Munstergeleen (Zuid-Limburg) lagen twee molens, een graan- en een oliemolen. De molenaarsfamilie die op de graanmolen woonde was de familie Houben.
Joannes Andreas Houben werd op 11 december 1821 in deze graanmolen geboren. In totaal zagen elf kinderen in het bovenkamertje van het kleine huisje het
geboortelicht. Deze kamer is nu ingericht als kleine kapel. Een
doodgewone molenaarszoon die opgroeit in een streng katholieke omgeving.
Hij heeft al vroeg belangstelling voor het religieuze en spirituele. Als jongeling was hij misdienaar en lid van verschillende religieuze verenigingen. Buitenshuis was hij verlegen en rustig, maar in het gezin was hij vrolijk en levenslustig. Zijn studies volgde hij in het naburige Sittard waar hij privé Latijn als lesvak kreeg. Maar het studeren is voor hem niet gemakkelijk. Het drukke grote gezin, het lawaai van de molen en zijn gebruikers zorgen voor te veel afleiding; toch zet hij door. Zijn wens was
het om priester te worden maar het lot besliste anders. Hij werd ingelijfd in het regiment infanterie in Bergen op Zoom. Hij was het toonbeeld van het regiment. Toch was dit voor hem niet de juiste plaats. Na drie maanden kocht zijn vader hem uit. In dienst had hij een jongen getroffen die hem vertelde over de Passionisten in België. Deze orde was in Italië gesticht en hun doel was het bekeren van Engeland. Na nog verder gestudeerd te hebben, vooral Frans en Latijn, treedt hij op 23-jarige
leeftijd op 5 november 1845 in genoemde orde in Ere (België). Als Limburgse boerenjongen kwam Johannes Andreas terecht in Franstalig België bij Italiaanse Paters.
Op 21 december 1850 wordt hij tot priester gewijd door de bisschop van Doornik. Bij zijn intreding ontving hij de naam: "Karel van Sint Andries". Twee jaar later stuurde zijn oversten hem naar St. Wilfrid in Engeland. In 1853 wordt hij overgeplaatst naar Aston Hall, waar hij zich inzette voor de   arme Ierse immigranten. Als Pater Karel vertrok hij in 1857 tot zijn grote vreugde naar Ierland en vestigde zich in Mount Argus,
een landgoed bij Dublin. De Passionisten hadden een grote stichting in Dublin. Van een oud stalletje groeide hun standplaats uit tot een groot klooster. Daar raakte Pater Karel al gauw bekend vanwege zijn gave om zieken op wonderbaarlijke wijze te genezen. Hij wordt de man met de gezegende of beter genezende handen genoemd.

Zijn grote kracht is, dat hij als zielzorger naar mensen kan luisteren, dat hij hun geestelijke noden en de pijnen van hun ziekten intensief waarneemt en mee doorleeft. Door een woord van troost en vergeving, door zijn geduld, zijn persoonlijke benadering wordt hij door de mensen als een zegen ervaren. Dat gevoel wordt nog versterkt wanneer blijkt dat hij door een zegenende handoplegging mensen ook lichamelijk weer een positieve en draagbare lichaamsbeleving weet te brengen. Soms beleven ze dit als een wonderbaarlijke genezing. Zulke belevingen gaan natuurlijk als een lopend vuurtje een eigen leven leiden. Zo wordt hij voor velen een persoon van troost en verlossing en vaak als laatste strohalm waaraan zij zich vastklampen.
Jaren lang blijft de toeloop van mensen van Ierland en Engeland en zelfs van ver daarbuiten de weg naar hem vinden.

Zijn geloof, bemoedigende woorden, zijn eenvoud en steun zijn voor veel mensen een reden om een pelgrimstocht te ondernemen of tot hem te bidden. Zowel tijdens zijn leven als daarna, in de kleine kapel in Munstergeleen of in de imposante kerk te Dublin. Al snel trokken dagelijks honderden zieke en lijdende mensen naar hem toe om zijn zegen te ontvangen. Hij werd "de Heilige van Mount Argus" (Father Charles of Mount Argus) genoemd en tal van wonderen werden aan hem toegeschreven. Zo zou hij o.a. kromgegroeide botten weer recht hebben gekregen.De mensen beseften, dat hij een heilige priester was, die nooit om hulp en goede raad verlegen was. Steeds stond hij klaar om zijn medemensen te helpen. Het klooster werd een waar pelgrimsoord en alle standen van de maatschappij zochten hun heil bij deze zielenarts. Ook bij niet gelovigen wist hij door zijn bijzondere zegen een vertrouwen in God te schenken. Zijn oversten die niet wilde dat Mount Argus zou worden overspoeld met pelgrims, sturen Karel in 1866 weer terug naar Engeland. Het nieuws over zijn terugkeer naar Dublin
in 1874 verspreidde zich snel. Opnieuw leidde zijn aanwezigheid tot een toestroom van zieken en hulpbehoevenden. Pater Karel zat bijna iedere dag in de biechtstoel om tallozen te verzoenen met God. Deze mensenstroom is gedurende zijn leven en daarna gebleven. Kenmerk daarbij is dat hij zelf een diepe religieuze en eenvoudige invulling gaf aan zijn leven in gebed
en werk.

Op 5 januari 1893, zeventien minuten vóór zes in de ochtend, stierf de Limburger op 71-jarige leeftijd na een langdurig ziekbed in het Ierse klooster. Een grote menigte mensen uit de
omgeving kwam die avond naar de kloosterkerk om hem nog een keer te zien en afscheid te nemen. De schrijn, waarin hij werd begraven, bevindt zich in Mount Argus. Bij zijn begrafenis in de kerk van Mount Argus kwamen 12.000 tot 15.000 mensen hem de laatste eer bewijzen

Nu is het zover dat naast het klooster te Dublin ook de plek van zijn geboorte een plek van ontmoeting met Karel is. Een plek waar men met al zijn vreugden en sores welkom is. In onze dagen is veel in ons leven haastig, luidruchtig, massaal en onpersoonlijk. In bedrijven, scholen, ziekenhuizen en zelfs in parochies heeft de grootschaligheid toegeslagen. Persoonlijke aandacht en een goed woord op maat is soms ver te zoeken. Waar is men nog echt aanwezig voor elkaar? Men spreekt in het pastoraat ook van presentiepastoraat. Heel mooi en goed gevonden, dat woord. En eigenlijk is het ook weer overbodig. Want als men als pastor als herder- niet bij zijn schapen is of kan zijn, dan ben je herder van niemand en niets. Maar welke pastor komt er in zijn megaparochie nog echt aan toe om die presentie waar te maken? In zijn dagen heeft Karel die presentie in ieder geval wonderwel klaargespeeld. Zo is hij een echte Zegen geworden voor de mensen. Ja, een zinnige heilige in onze dagen!

In de nabijheid van deze heilige wordt de goedheid van God ervaren. Die goedheid heeft een gezicht gekregen. Want deze heilige was ervan doorstraald. Hij heeft Christus consequent nagevolgd: Christus, Gods menslievendheid in persoon.

Elke tijd ontvangt zo de heilige die deze tijd nodig heeft. De heiligverklaring van Pater Karel Houben is een geschenk uit de hemel voor de Kerk, de samenleving waarin wij nu leven. Iemand die ons de weg wijst naar God. Iemand die dichtbij God staat. Een voorspreker die ons eigen Godsvertrouwen kan versterken. Onze Kerk, onze samenleving hebben behoefte aan dergelijke voorbeelden! Concrete modellen zijn zij van gaaf christelijk leven!

Heiligheid is namelijk niet slechts een ideaal voor enkele bevoorrechten, uit een verre verleden tijd. Wees heilig want Ik ben heilig (Lev.11,45) Dit woord van God heeft niets aan actualiteit ingeboet. Integendeel, juist in onze geestelijk zo dorre tijd hebben wij - misschien meer dan ooit - heilige mensen nodig. Mannen en vrouwen die met heel hun leven willen getuigen van Christus evangelie. Mensen die, zoals pater Karel, God en hun naasten totaal en radicaal zijn toegewijd.

Onze heilige roept daarom ieder van ons vandaag toe: Heiligheid is geen ver, geen afstandelijk ideaal. Volg Jezus consequent na, en je bent al op weg naar heiligheid! Of om woorden van paus Benedictus te citeren: Ook nu kan en zal de toekomst van de Kerk enkel afhangen van degenen die leven uit een diepe overtuiging en de zuivere volheid van hun geloof  Laten wij het positief stellen: de toekomst van de Kerk zal ook ditmaal, zoals altijd, bepaald worden door de heiligen Door mensen die meer kunnen zien dan anderen omdat hun horizon verder reikt dan het hier en nu (Joseph Ratzinger, Geloof en toekomst, München 1979, 102).

Pater Karel wordt naast zijn Ierse schrijn ook
vereerd in de kapel nabij zijn geboortehuis (Karelhoeve) in Munstergeleen.
Zijn zegenspreuk was: De Almachtige en genadige Heer zegene en beware U allen, de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.


homilie
overweging 
  •  

 

 


homilie
overweging 
  •  

 

 


homilie
overweging 
  •  

 

 


homilie
overweging 
  •  

 

 


homilie
overweging 
  •  

 

 

 

2011-08-10 07:10 +0200